De papapatser.

Mijn moeder en vader in het tuinhuisje van mijn oma.

Ik droom al twee weken dezelfde droom. Het is geen fijne droom, maar het is beter dan wakker liggen. Het is geen fijne droom, maar het is het enige moment van de dag waarop we samen zijn. In de nacht ben je bij me. Als het donker is en er niemand kijkt, kom je eventjes in de vadervormige leegte liggen. En in de ochtend ben je weer weg. Dan ga ik in de leegte liggen. Met donkere kringen onder mijn ogen. De leegte voelt nog warm aan.

In de ochtend breng ik je kleinzoon naar school. Hij doet het goed. Beter dan ik. Ik ben een wrak op de zeebodem. Diepzeeduikers kijken soms door de ronde raampjes bij me naar binnen. Ze zien roest en pizzadozen. Een stoel en een tafel. Ze zien een keukentje. In de openstaande broodtrommel woont een koningskrab.

Gisteren heb ik belastingaangifte gedaan. Ik krijg weer niets terug.

Op je sterfbed zei je twee dingen tegen me.

‘Je moet een keer naar Istanboel gaan, jongen.’ en ‘Let je een beetje op je moeder.’

Je was niet bang voor de dood. Je had je rozenkrans en je tevredenheid, maar je vond het wel moeilijk om mama alleen te laten. Je beschermde haar met je leven. Dat was het huwelijk voor jou. Op het moment dat ze die ring om je vinger schoof, veranderde je in een airbag en in een vangnet. Als mama viel, hielp jij haar overeind. Als mama ziek was, zette jij thee voor haar. Jij ving de klappen op. Je was haar lijfwacht. Ze hoefde nooit op jouw lijf te wachten.

Maar ik heb aan je beloofd dat ik een beetje op haar zou letten. En dat doe ik. Ik kijk met een verrekijker naar mama. Misschien heb ik daarom van die donkere kringen onder mijn ogen. Ze heeft een soort altaartje voor je gemaakt op de plank waar de cassettespeler vroeger op stond. Ze is zo sterk. Op het moment dat jij die ring om haar vinger schoof, veranderde ze in beton. Nee, in staal. Nee, nog sterker. Toen jij die ring om haar vinger schoof, veranderde ze in een moeder.

En lieve Dad, ik wil heel graag een keer Istanboel bezoeken, maar ik moet eerst nog wat belasting betalen.

Vanavond ga ik jouw kip kerrie proberen te maken. Ik heb er helemaal geen trek in, maar ik wil koken wat jij altijd kookte. Kip kerrie was jouw specialiteit. Je was een wonderlijke kok. Je gooide stukken appel en rozijnen in de saus. Je probeerde een appeltaart van kip kerrie te maken.

Wat ik voel is een soort liefdesverdriet, maar dan verdrietiger. Een geliefde zou je kunnen vervangen. Je duikt gewoon een ander bed in en maakt jezelf wijs dat je gelukkiger bent. Je zegt dat je hebt geleerd van je vorige relatie, maar maakt dezelfde fouten.

Jij bent verre van inwisselbaar. Ik kan mijn zoon niet naar een andere opa brengen. Er is geen andere man die drie uur lang met hem naar Brandweerman Sam filmpjes op YouTube kan kijken. Er is geen man die naar hem kan kijken zoals jij naar hem keek. Jij en ik namen hem een keer mee naar de speeltuin in het Vondelpark. Hij viel van de schommel en kwam verkeerd terecht. Huilend rende hij op jou af. Niet op mij. Hij vroeg of je naar de blauwe plek op zijn been wilde kijken. Alleen kijken, meer hoefde je niet te doen. Je keek naar zijn pijn en niet veel later was de pijn weg. Zo was jij. Ogen als een gipsvlucht.

Heel soms denk ik niet aan je en op die momenten voel ik me schuldig dat ik even niet aan je dacht. Het is pas drie weken geleden. Ik moet aan je denken. Het moet. Je bent mijn vader. Je bent geen regenplas waar ik in één keer overheen kan stappen. Je bent een fucking oceaan. Ik heb minimaal zes maanden nodig om naar jouw overkant te spartelen.

Ik denk vaak terug aan de boekpresentatie van mijn tweede boek. Jij kreeg het eerste exemplaar. Ik bedankte je en toen maakte ik een stom grapje. Op die avond vond ik het een leuk grapje, maar vandaag niet meer. Ik zei dat je er in mijn jeugd nooit was. De zaal lachte. Maar je was er juist altijd. Je bent er altijd geweest. Zelfs nu je er niet meer bent, ben je er nog.

Gisteren stond ik op ons dakterras. Ik zag een oude asbak staan. Er lagen drie uitgedrukte sigaretten in. Sigaretten van jouw merk. De laatste keer dat je bij ons thuis was, is zo’n tien maanden geleden. Ik heb een aansteker gepakt en ik heb alle drie die uitgedrukte sigaretten aangestoken en opgerookt. Bij elkaar waren het tien trekjes.

Je was niet bang voor de dood en ik hoop dat je dit nog steeds niet bent.

Ik heb een vriend en die praat alleen maar over zijn dure auto. Hij heeft een vriend die alleen maar over zijn vader praat. Ik ben die vriend. Hij is een patser, maar wat ben ik?  

In de eerste twee weken vond ik het fijn om met mensen te praten, maar ik merk dat ik de mensen er niet meer lastig mee wil vallen. De zon schijnt, niemand zit te wachten op de verhalen van de man met de dode vader.

Ik mis je stem. ‘Je moeder en ik hebben dit weekend een mooi film gezien.’

Een mooi film.

‘Welke film dan?’

‘Het ging over een spion.’

‘Ging het alleen maar over een spion? Wie speelde erin?’

‘Die ene jongen.’

‘Welke jongen?’

‘Hij speelde ook een keer in die film over die groene man.’

‘De Hulk? Bedoel je Edward Norton?’

‘Wie is Edward Norton?’

‘Van 25th Hour. Met die eindscène dat die vader zijn zoon naar de gevangenis brengt. We moesten allebei huilen om die scène.’

‘Dat is hem inderdaad. Eric Corton.’

‘Nee, Edward Norton.’

Als ik vroeger over je schreef, belde je me weleens op dat de dingen die ik over je had geschreven niet klopte. Vandaag kan ik alles schrijven. Na de dood staat de waarheid schaakmat. Ik kan schrijven dat je de eerste manager van The Temptations was. Ik kan schrijven dat je de uitvinder van de hovercraft bent. Of dat je het winnende doelpunt in de WK-finale van 1966 scoorde.

Alles kan de waarheid zijn, omdat de waarheid me niet meer interesseert als het de waarheid is dat jij er niet meer bent.  

Vanochtend stuurde ik een sms’je naar je telefoon.

*Om 12.00 lunchen bij Broodje Bert?*

Maar je was er niet. Sinds je er niet meer bent, loop ik alleen maar blauwtjes.

Je weet toch dat als je knoflook eet die lucht uren kan blijven hangen? Ik heb het gevoel dat jij een teentje knoflook bent waar mijn hart al drie weken op aan het kauwen is. Je blijft heerlijk hangen. Zolang mijn hart maar klopt, ruik ik jou. En als mijn hart doorslikt, voer ik het gewoon een nieuw teentje. Ik denk dat dat rouwen is. Je hart knoflook blijven voeren.

Ik mis je en het spijt me dat je me nooit naar de gevangenis hebt moeten rijden.

Als ik je urn heb, rijden we samen naar Istanboel.

Mijn vader, mijn zoon en ik in het Vondelpark.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde. 



Donate € -


Nog een stukje standbeeld.

We zijn alweer een week verder. De wereld draait door, zelfs zonder jou erop. Zwaartekracht wacht op niemand.

Er vliegt al een paar dagen een vlieg door onze huiskamer. Mijn vrouw vraagt steeds of ik de vlieg het raam uit wil begeleiden, maar ik wil het niet. Ik heb nooit in reïncarnatie geloofd, maar ik ben ook nog nooit een vader verloren. Misschien ben jij die vlieg wel. Geruststellend gezoem. Af en toe land je op mijn arm. Jouw harige pootjes op mijn donzige armen. En dan kijk ik heel even in je glorieuze facetogen. Mijn vader de bromvlieg. Terwijl ik dit schrijf, zit je jezelf te wassen op het half aangevreten klokhuis van een Pink Lady. Het stickertje zit er nog op. Pas op dat je er niet in stikt.

Je kleinzoon loopt door het huis met de rouwkaart. Op de voorkant staat jouw gezicht. Als hij tekenfilms kijkt, zet hij de kaart op de leuning van de bank, zodat je mee kan kijken. Als hij onder de douche staat, staat de kaart naast de wasbak. Sinds kort wast hij zijn eigen haar. Je kleinzoon is niet meer bang voor shampoo. Nog even en hij is volwassen.

Zaterdag heeft Liverpool gespeeld. Ik heb geprobeerd te kijken, maar ik voelde het niet. Ik kwam er niet in. Als ze vroeger wonnen, wonnen we samen. Als ze nu winnen, win ik alleen, en in je eentje winnen is misschien wel erger dan samen verliezen.

Volgens mij ben ik een beetje aan het doordraaien. Ik zie je overal. Ik zie je vaker dan toen je nog leefde. En ik denk ook vaker aan je.

Er zijn veel podcasts over rouwen. Ik heb er al tien geluisterd. Het is fijn om naar andermans verdriet te luisteren. Ik pak mijn eigen pijn en leg het neer in andermans tranen. Ik laat mijn pijn een paar uur marineren in het leed van een ander. In de avond bak ik het in een koekenpan, maar de pijn smaakt nog precies hetzelfde als gisteren en eergisteren. Maar tijdens het luisteren was ik niet alleen. Ja, ik was het wel, maar zo voelde het niet.

Ik werd gebeld door iemand die eerder dit jaar zijn vader verloor. Hij vertelde hoe hij zich voelde en vroeg zich af of ik me ook zo voelde. Ik voelde me niet zo.

‘Het voelt alsof ik mijn sleutels kwijt ben. Hoe voelt het voor jou?’ vroeg hij.

‘Ik heb mijn sleutels gewoon in mijn hand, maar ik ben mijn huis kwijt. Zo voelt het.’

‘Het went. Geloof mij. Tijd heelt alle wonden.’

‘Ongetwijfeld, maar ondertussen maakt tijd ook nieuwe wonden. Wat dat betreft is tijd vrij onhandig. Het ligt altijd open.’

‘Maar je moet doorgaan. Dat had je vader gewild.’

‘Ik hou van mijn vader, maar hij heeft niets te willen. Ik moet dit alleen doen.’

Ik zie je dus overal. Jij bent alle grijsharige mannen in Amsterdam. Soms sta je op de tramhalte met een krentenbol. En dan zie ik, na twee keer kijken, dat jij het niet bent, maar jij hield ook van krentenbollen, dus dan begin ik toch weer te twijfelen. Twee krentenbollen, dat was jouw standaard lunch.

Je bent overal. Sommige mensen zouden het hallucineren noemen, maar ik noem het anders. Ik noem het jaloezieneren, omdat ik enorm jaloers ben op al mijn hallucinaties.

Toen je echt ziek was, kreeg je druppels Haldol. Dit remde je wanen en hallucinaties. Ik heb nog geen behoefte aan die druppels. Ik hoef niets te remmen. Ik neem dat wat er niet meer is waar en dat wat er niet meer is, is het enige wat ik wil zien. Je staat in portieken en op het dak van een huis op de Nassaukade. Je bent bromvliegen, duiven, halsbandparkieten en een straatkat in de Lomanstraat.

Ik weet niet zo goed wat ik aan het doen ben, Dad. Is dit wat rouwen is?

Op school leerde ik over eiwitsynthese, de bouw van atomen en wat het verschil tussen een sociale en een klassieke verzorgingsstaat is, maar over rouwen heb ik nooit iets geleerd. Ik leerde van een rossige biologieleraar waar kinderen vandaan komen, maar hij leerde me niets over het einde. Over dit gevoel. Het voelt alsof ik met een fles prikloze cola aan het schudden ben in de hoop dat er weer prik in de frisdrank komt. Ik ben compleet verdwaald in een wereld die ik als mijn broekzak dacht te kennen. Ik zoek naar sterren in de grond en naar plantjes in de lucht. En het is niet alleen een geestelijk proces, want er gebeuren ook dingen met mijn lichaam. Ik heb al een week een droge mond. Het is alsof mijn hart al het speeksel gebruikt om de rest van mijn lichaam mee te sussen. Het fluistert bemoedigende woordjes door mijn bloedbaan, maar het werkt niet. Niets werkt. Het gemis vermenigvuldigt zich als fruitvliegjes. Ik moet aan je blijven denken, anders ben je er echt niet meer. Jouw dagen zijn misschien geteld, maar ik blijf voor je doortellen.

Is dit wat rouwen is? Naar het achtuurjournaal kijken en mensen aanwijzen die eerder dan jij hadden moeten gaan. Ik doe het zelfs op straat. Onbewust. Ik kijk naar oude mensen en twijfel aan het lotingssysteem van de dood. Mopperende oudjes in de supermarkt en op de tramhalte. Jij mopperde verdomme nooit.

Toen ik klein was, vond ik een keer een baby-egel in het Vondelpark. Ik ritste mijn schooltas open en zocht naar iets waarin ik het diertje kon bewaren. Uiteindelijk stopte ik het in een boterhamzakje. Met het zakje in mijn hand liep ik naar huis. Ik keek vrijwel onafgebroken naar het egeltje en het egeltje keek soms naar mij. Toen ik de drukke Koninginneweg over moest steken, lette ik niet op het diertje. Na het oversteken, stond ik met een opengescheurd boterhamzakje in mijn handen. De egel had zijn stekels gebruikt. Zo voelt rouwen ook. Alsof je een egel in een boterhamzakje probeert te bewaren.  

Met mijn hart en mijn hersenen leef ik in het verleden. Ik stapelde alle mooie herinneringen op en nu zweef ik door de ruimte. Hier is geen zwaartekracht. Niets valt meer op zijn plek. Toen jij stierf heb ik een fotokopie van mezelf gemaakt en deze kopie heb ik op het heden vastgeplakt. De persoon die dit zit te tikken is de echo van de man die compleet in het verleden leeft.

Is dit wat rouwen is? Ik wil niet eten, want alles proeft naar jou. Ik wil niet naar buiten, want de grachten kletteren jouw naam. De trams tringelen de ringtone van jouw telefoon. Sinds je er niet meer bent, ben jij de stad. De straten zijn van jouw huid gemaakt, jouw armen zijn de bruggen, de veerponten zijn jouw dromen en de tunnels zijn je twijfels. Een deurwaarder in West klopt op een voordeur in het ritme van jouw hart. Niemand doet open. Een meisje fietst door het Vondelpark. Ze heeft haar handen niet aan het stuur, maar jij stuurt voor haar. De rook uit de schoorstenen is jouw goedheid. In Artis eet een jongetje met een lui oog een krentenbol.

Je bent afgelopen donderdag gecremeerd en nu moeten we zes weken op je as wachten. Dat wist ik niet. Er zit een zomervakantie tussen het grote vuur en het uitstrooien in. Ik hoop dat je geen haast hebt, want dit is de langste overstap ooit. Doe maar even een dutje op de bagageband.

Ik heb dus zes weken. Nee, eigenlijk heb ik nog maar vijf weken. Elke week zal ik een stukje van jouw standbeeld schrijven. Nog vijf stukjes dus, Dad. Een arm, een voet, de vlieg op je schouder, een gebalde vuist.

Welk stukje standbeeld dit is?

Dit is de krentenbol in je andere hand.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde. 



Donate € -


1949 – 2020

Liverpool 12 december 1949 – Amsterdam 23 augustus 2020

Afgelopen weekend zag ik twee mannen in pak jou naar beneden dragen. Ze droegen je naar beneden, terwijl je naar boven aan het gaan was. Het was half vier in de nacht. Vier uur daarvoor zat ik met vrienden op het terras op de hoek van de straat. We hadden het gezellig. Ik weet zeker dat je ons hoorde lachen en schreeuwen. De ramen van de huiskamer stonden op een kier. Het was drukkend weer.

Om kwart over twaalf, ik was redelijk beneveld van vier kannen sangria, liep ik terug naar mijn ouderlijk huis. Ons huis. Jay, Teuntje, Bianca en Jamie. Ik draaide de deur open en liep naar de keuken om mijn gezicht en handen te wassen. Ik had wat sigaretten gerookt. Ik weet ook niet waarom. Met een schoon gezicht liep ik naar je toe. Jij, in je ziekenhuisbed. Je lag comfortabel. Ik scheen met de zaklamp op je borst om te kijken of je nog ademde. Je ademde. Ik gaf je een kus op je voorhoofd en zei dat ik fucking veel van je hield. Daarna liep ik naar mijn oude slaapkamer en plofte neer op het logeerbed. Mama klopte op de deur. Of ik even wilde komen kijken. We deden het grote licht aan en keken naar je. Het was iets voor half 1. Je was weg. Er tussen uitgeknepen via de openstaande ramen.

Ik ben vaak blij geweest, ik heb ook veel om blij voor te zijn. Maar het feit dat jij op me hebt gewacht, terwijl ik met mijn vrienden aan het genieten was, zegt veel over wie je was. Toen ik geboren werd, deelde ik mijn begin met jou en afgelopen weekend deelde je jouw einde met mij. Een groter geschenk heb en zal ik nooit meer krijgen. En dat klinkt misschien gek. De dood als geschenk. Maar verdomme, wat was je ziek. En wat hebben jij en mam de afgelopen maanden de sterren van de hemel gespeeld. Liefhebben is een werkwoord, maar jullie hoefden er niet voor te werken. Het was er gewoon.

Ik wil je bedanken voor alles. Voor de duizenden keren dat je me naar voetbaltraining bracht. Het spijt me dat ik geen prof ben geworden. De scouts zagen het verkeerd. Ik wil je bedanken voor je begrip. Je vertrouwen. Je zag wie ik was, voordat ik wist wie ik wilde worden. Ik was een bang jongetje, een doodsbang jongetje, maar dankzij jou en mam, jullie trotse ogen, ben ik precies geworden wie ik denk te moeten zijn. Zelfs als ik faalde, waren jullie trots op me. Ik heb zeven jaar over mijn havo gedaan en toch bleven jullie naar mij kijken alsof ik Isaac Newton was. Ik kon het nooit verkeerd doen, omdat jullie al foutloos waren.

Ik vind het moeilijk om me voor te stellen dat je er niet meer bent. Maar ik moet eerlijk tegen mezelf zijn. Je bent er niet meer. Ik heb je zelf zien gaan.

De lasser uit Noord, renoveert nu de hemelpoort.

Ik ga je niet missen, want als ik in de spiegel kijk zie ik je. Als ik naar mijn zoon kijk, zie ik je. James, James en James. Ik ben zo trots op mijn naam. En zo trots op jou. Alle vrienden die ik ooit heb gehad vonden jou cooler dan dat ze mij vonden. En terecht. Alle vriendinnen die ik ooit heb gehad, waren stiekem verliefder op jou dan dat ze op mij waren. En terecht.

Ik ga je niet missen. Ik ga je niet missen.

Ik mis je.

Twee weken voordat je ging, zat ik naast je. Op woensdagochtend was ik je vaste oppas. Maar ik deed niet veel. Ik zat naast je en ik hield je hand vast. Samen keken we naar televisieprogramma’s die normaliter alleen door werklozen worden bekeken. Maar wij waren niet werkloos. Nee. We waren professionele handvasthouders.

Ik ga je vingers missen. Ik mis je zwarte tasje. Ik mis de geur van je werkplaats. Ik mis dat je me leerde vissen en dat ik nog steeds niet weet hoe ik moet vissen. Maar dat maakt niet uit. Het ging niet om de hengel of om de karper. Het ging om de vader en de zoon. Dat is wat het leven is. Zo veel mogelijk tijd met elkaar doorbrengen. Niet naar de dobber kijken, maar naar elkaar.

Toen je zaterdagnacht naar beneden werd gedragen ging ik je voor. Ik had je telefoon bij me. Ik tikte je code in. 0007. En appte met jouw telefoon naar mijn telefoon dat je van me hield. Toen ik weer boven was, pakte ik mijn eigen telefoon en stuurde ik naar jouw telefoon dat ik ook van jou hield.

Wie gaat me nu naar voetbaltraining brengen?

Vroeger, als we het over de dood hadden, zei je dat je je lichaam aan de wetenschap wilde schenken. Ik vond dat zo mooi. Ik droomde daar vaak over. Dat je hart naar iemand uit Friesland ging, je lever naar een vrouw uit Rotterdam en een stuk van je huid naar een jongen die kokend heet water over zijn armen had gekregen. Je vond dat zelf ook een mooie gedachte, maar toen werd je ziek. Alles wat je had willen schenken, werd door de kanker verdonkeremaand. Al je wonderschone organen belandden in een moddergevecht met de smerigste modderfokker van ons sterrenstelsel. En zodoende werd je droom om deze wereld op je vrijgevigst te verlaten volledig verziekt.

Toen je zaterdagnacht op reis ging naar een wereld waar modder niet bestaat, heb ik een plukje haar van je schedel geknipt. Dit plukje heb ik de volgende dag aan een bevriende wetenschapper gegeven. Hij gaat er iets mee doen, Dad. Wat, weet ik niet, maar ik weet bijna zeker dat hij met behulp van jouw grijze haartjes onze wereld gaat redden.

Je werkte in de buurt van de Papaverweg. En nu is papa ver weg.

Gisteren hebben we afscheid van je genomen. Gisteren, op jullie 44e trouwdag. 44. Het is een nummer dat vaker voorkomt in de geschiedenis van jullie ongeëvenaarde liefdeshistorie. Toen mama 44 was, werd ze onwel. Je dochter belde de huisarts op en hij zei dat mama naar alle waarschijnlijkheid aan het hyperventileren was. Jij vertrouwde het niet. Alle kleuren verlieten haar gezicht, wangen als stoepkrijt in de regen. Jij plukte wat ongestreken kleding van de strijkplank en kleedde haar aan.

Bianca en ik keken uit het raam naar hoe je mama op de achterbank van onze auto neerlegde. Ik weet nog dat ik aan mijn zus vroeg of ze dacht dat het ernstig was. Ik had geen bloed gezien, dus ik dacht van niet.

Je hebt het nog lang over die nachtelijke rit gehad. Over hoe bang je was. Zo bang dat je door rood racete en over wat pionnen reed die op de Amstelveenseweg stonden. Je had je rijbewijs kwijt kunnen raken in de nacht dat je je vrouw bijna verloor. Maar je raakte niets kwijt, en wij ook niet. Je redde haar leven. Mama is er nog steeds.

Ik mis je. Ik mis je sms’je als er voetbal op de televisie is, maar je er niet naar mag kijken van mama. Ik mis dat er een kroon uit je mond valt en dat je die kunsttand dan met bijzonder sterke lijm terug in je mond plaatst. Ik mis jij en ik op de tennisbaan en jouw gevloek als ik van die gekke tafeltennisballen sla. “Dat is geen tennis!”

Ik mis dat je om mijn oude kleren vraagt, deze draagt en er prachtig uitziet. Ik mis je kussen en knuffels, jouw aftershave in mijn baard. Ik mis dat je tegen me zegt dat ik een steeds betere schrijver aan het worden ben en ik mis het om tegen jou te zeggen dat jouw goedkeuring de enige goedkeuring is die ik nodig heb. Ik mis je cheese on toast. Ik mis zelfs de doodzieke jij.

Een paar dagen voordat je echt slecht werd, zat ik naast je bed. Je ging met een hand door mijn haar. Ik had je net je pillen gegeven. De morfine maakte je spiritueel. Je was altijd al mijn held geweest, maar opeens was je ook mijn goeroe. Ik vond dat mooi. Je was altijd wel wijs geweest, maar opeens sprak je het ook. Je sprak over de dood alsof je over een vakantieliefde sprak.

In het verleden leerde je me meer over de wijsheden van de straat. Zo leerde je me ooit dat je een gevecht het beste voor een politiebureau kunt beginnen. Dit omdat er een kans bestaat dat je het gevecht verliest en tja, dan weet je in ieder geval dat de politie snel ingrijpt. Dus je kunt nooit heel erg verliezen als je een vechtpartij voor een politiebureau begint. Dit soort dingen leerde je me vroeger.

Een paar dagen voordat je echt slecht werd, leerde je me iets wat ik nooit meer vergeet. Je stem was al bijna weg, maar ik hoorde je.

“Uitzichtloosheid is soms dus iets om naar uit te kijken,” zei je. En je had gelijk. De laatste vier maanden van je leven waren prachtig. De dood kroop naar je toe als een eenzame kat, maar je was niet bang, nee, je zette gewoon een schaaltje melk en wat brokjes voor hem neer. Je keek de dood in de ogen en je stelde de dood gerust. Zo groot was jij. Een wolkenkrabber van een man. Je was niet als de dood voor de dood, nee, je was als een vader voor de dood. En voor iedereen die je tegenkwam.

Ik hou van je en ik zal een standbeeld voor je schrijven.

Alles was mooi en dat is het nog steeds.

Ik vouw van jullie.

Ik was een jaar of tien. We reden met het hele gezin naar Zuid-Frankrijk. Mijn vader was van plan het hele stuk in één keer te gaan rijden, maar in de nacht werd hij toch moe. Hij draaide het raampje open om wakker te blijven. Mijn moeder sliep al en mijn zus ook. Alleen mijn vader en ik waren wakker.

“Ga gewoon slapen,” zei ik.

Hij stak zijn rechterhand tussen de voorste stoelen door en ik pakte zijn vingers vast. Niet veel later reed hij de parkeerplaats van een tankstation op.

“Gaan we hier slapen?” vroeg ik. Het was een nagenoeg lege parkeerplaats. Er was geen dorpje of stad in de buurt. Waar ik ook keek, ik zag nergens een huis waar het licht brandde. Er stonden alleen drie scheef geparkeerde vrachtwagens.

“Als je bang bent, slaap ik wel op de vouwwagen,” en daar ging hij. Mijn vader stapte uit de auto en ging op de bovenkant van onze recreatieve Transformer liggen. In ingeklapte vorm was onze vouwwagen gewoon een aanhanger, maar als je hem uitklapte verscheen er een zo goed als waterdicht oranjebruin kampeerpaleis.

Mijn vader lag dus als een waakhond buiten de auto. Ik heb de hele nacht naar hem gekeken. Ik waakte over de waakhond. Ik was de waakhondwaakhond. Er reden honderden auto’s langs, maar niemand stopte. Niemand zorgde voor gevaar.

Ik denk de laatste tijd vaak aan die nacht op de parkeerplaats. Ik was tien jaar oud. Schaafwonden, scheetkussens en domme plannetjes, dat was ik. Mijn vader was veertig. De leeftijd die ik nu heb.

Hij ligt momenteel op een ziekenhuisbed in de huiskamer. Als ik door mijn wimpers kijk, lijkt het ziekenhuisbed op een vouwwagen. Er zitten wielen onder en alles wat op hout moet lijken is van plastic. Als ik een rijbewijs zou hebben, zou ik het bed aan mijn auto vastkoppelen en naar Zuid-Frankrijk rijden, maar ik heb geen rijbewijs.

Mijn vader krijgt veel berichtjes binnen op zijn telefoon. Het zijn lieve berichten. Mijn vader kan zelf niet meer reageren, dus ik doe het. Ik probeer te schrijven zoals mijn vader schreef, zodat de mensen denken dat hij het is die reageert. Korte zinnen en een overdaad aan emoji’s. Af en toe een joekel van een spelfout. Mijn moeder is van mening dat ik erbij moet schrijven dat ik de persoon ben die reageert, maar dat doe ik niet. Ik vind het wel mooi. De realiteit is momenteel lelijk genoeg voor wat schone leugens.

In een groot deel van de berichten staan de woorden ‘strijd’ en ‘vechten’. Mensen gaan altijd in oorlogsmodus als het over kanker gaat, maar in de huiskamer van mijn ouders heerst de puurste vrede.

Mijn vader heeft de laatste jaren flink gevochten. Hij was zelfs een tijdje schoon, maar niets maakt kanker zo boos als het woordje ‘schoon.’ “Noem je mij vies of zo?”

Mijn vader is zo sterk dat hij niet meer hoeft te vechten. Hij is niet meer in oorlog met zijn ziekte. Soms lijkt het alsof ze spelletjes met elkaar aan het spelen zijn. Hij en de kanker. Vanochtend waren ze aan het armpje drukken. Dat is hoe de situatie nu is. Ze zijn met elkaar aan het armpje drukken, maar de kanker heeft veel meer vingers.

Gisteravond speelden ze Doen, durven of waarheid met elkaar.

“Doe maar waarheid,” zei mijn vader.

“Ben je weleens verliefd geweest?” vroeg de kanker.

“Ik ben het nog steeds.”

Toen hij dit zei, stond mijn moeder in de keuken wat appelmoes in het mooiste schaaltje te lepelen.

Hij eet alleen nog maar appelmoes en dat is prima. Van appelmoes is nog nooit iemand doodgegaan.

Mijn zoon is eventjes op bezoek. Hij staat naast het ziekenhuisbed van zijn opa. Het is bizar om te zien. Mijn vader krimpt en mijn zoon groeit. Hij is nog nooit zo groot geweest. Het is alsof mijn vader al zijn kracht aan mijn zoon geeft, zodat hij kan groeien.

Hij is opeens zo groot dat hij een rijbewijs heeft. We dragen het bed van mijn vader naar beneden en koppelen het vast aan de eerste auto van mijn zoon.

Samen rijden we naar Zuid-Frankrijk. Mijn zoon is van plan om het hele stuk in één keer te rijden, maar dat gaat niet. Hij is pas zes jaar. Bijna zeven.

We staan op een parkeerplaats in de buurt van Mâcon. Mijn zoon ligt op de achterbank te slapen en mijn vader ligt op de vouwwagen. Ik vouw een waakhond van mezelf en bewaak ze allebei.

Ik ben nog nooit zo bang geweest.

En ook nog nooit zo gelukkig.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde. 



Donate € -


In vorm in tegenspoed

Mijn moeder, mijn vader en mijn zus.

Mijn moeder heeft een baarmoeder van de huiskamer gemaakt. Door een onzichtbare navelstreng voert ze mijn vader Magnum-ijsjes en als hij dorst heeft vloeit er thee. De liefde die mijn ouders voor elkaar voelen, is nog nooit zo zichtbaar geweest. Als ik naar ze kijk, zie ik twee harten in matching fluorescerende hesjes. Samen maken ze van de complete uitzichtloosheid een prachtige zonsondergang.

De kanker die mijn vader langzaam aan het opvreten is, is ongetwijfeld een onbarmhartige, overijverige, door lintwormen geteisterde veelvraat, maar ik zou liegen als ik alleen maar negatief over zijn ongeneselijke ziekte schrijf. Ik heb de laatste vier maanden veel geleerd van de tumoren in zijn lichaam, en ik leer nog steeds. Bijvoorbeeld over wat in voor- en tegenspoed in werkelijkheid inhoudt. Over de onverzettelijkheid van een vrouw en de overtreffende trap van onvoorwaardelijk. Mijn vader is uitbehandeld, maar zo behandelen mijn ouders elkaar niet. Ze zijn de sterren van de hemel aan het liefhebben. En de kanker ziet alles. Het zit op de eerste rij ongeneeslijk jaloers te wezen.

Mijn moeder heeft een baarmoeder van de huiskamer gemaakt. De wand is gemaakt van dekentjes en kussens en er hangt een theezakje in het vruchtwater. In het begin wacht de mens negen maanden op het leven en momenteel wachten wel al een paar maanden op het tegenovergestelde daarvan. Het is een bijzonder proces. In het begin was ik er bang voor. Voor de aftakeling. Maar aftakeling kost tijd en tijd is alles wat we hebben.

Mijn vader is er nog. Het leven flitst niet aan hem voorbij. Aftakeling kost tijd. Zijn afscheid is eerder stroperig. Alle mooie herinneringen staan op een vliegveld en de piloten zijn al wekenlang aan het staken. En met het hele gezin slenteren we van gate naar gate. We hebben geen haast. Alles was mooi en dat is het nog steeds. We zijn belastingvrij aan het koesteren op een vliegveld vol herinneringen.

“Af en toe vergeet ik dat je een volwassen man bent,” zegt mijn vader bij B14.

“Ik ook,” zeg ik.

Toen ik gisteren op bezoek ging bij mijn ouders, stond er een dure auto in de straat. Ik keek in de auto en zag een briefje op de bijrijdersstoel liggen.

Er liggen geen waardevolle spullen in deze auto.

Na het achtuurjournaal vertelde ik mijn vader over het briefje. Hij pakte mijn hand vast en keek naar mijn vingers alsof hij nog nooit vingers had gezien.

“Soms vergeet ik dat je een volwassen man bent, jongen,”

“Ik ook.”

“Nog even over die dure auto. Ik hoef gelukkig niet zo’n briefje achter te laten als ik op reis ga. Alles wat ik heb is waardevol. Alles wat ik achterlaat is waardevol. Mijn vrouw is een goudmijn en mijn kinderen en kleinkinderen zijn mijn goud. Vergeet dat nooit. Ik heb no regrets, jongen.”

Na het tienuurjournaal pak ik een jas van de kapstok. Ik pak zijn laatste jas, trek hem aan en loop op mijn moeder af.

“Die jas ruikt zo erg naar je vader.”

“Daarom draag ik hem ook.”

“Hoe heet dat luchtje ook alweer?” vraagt ze.

“Acqua Di Giò.

“Dat draagt hij echt al twintig jaar.”

“Het is zijn luchtje. Ik ga tweehonderd liter van dat spul kopen en een blusvliegtuig huren. Als hij er niet meer is, ga ik over Amsterdam vliegen. De hele stad zal naar hem ruiken.”

Mijn moeder heeft een baarmoeder van de huiskamer gemaakt. Het is er prachtig.

Moeder en kind maken het goed.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde. Vanaf volgende week schrijf ik elke week twee columns op deze site. Op de dinsdag en op de vrijdag. Fijne vakantie. #YNWA



Donate € -


Lieve stad

‘Zijn jullie me aan het volgen?’ vraag ik aan de twee mannen die me aan het volgen zijn. Het is 04.17. De straten zijn verlaten. Amsterdam is een spookstad. Nee, zelfs de spoken slapen.

De mannen zeggen niets. Ik doe alsof mijn telefoon gaat en neem op.

‘Jij ook de beste wensen, man. Ja, sorry. Ik wilde je nog een appje sturen. Natuurlijk had ik je wat eerder de beste wensen willen toewensen, maar je weet hoe dat gaat. Ik had het druk. Ja, ja, jij hebt het ook druk. Iedereen heeft het druk. Volgend jaar stuur ik op 1 januari een appje. Ik beloof het.’

De mannen halen me in en gaan voor me staan. De ene heeft een fietsslot in zijn handen. De andere een stanleymes zonder mesjes.

Ik voel in mijn jaszakken of ik iets bij me heb waarmee ik mezelf kan verdedigen. Een  half rolletje Fruittella. Lippenbalsem. Dan voel ik het in mijn rechterzak. De lichtgevende jojo van mijn zoon.  

De man met het fietsslot trekt de mouwen van mijn jas omhoog om te kijken of ik een horloge draag.

‘Waarom draag je geen horloge?’

‘Ik denk dat mijn horloge nog op de wasbak in de badkamer ligt. Altijd als ik ga douchen doe ik hem af. Ik weet dat dat ding waterdicht is, en toch doe ik hem af. Het is net of ik niet in waterdichtheid geloof.’

De man met het mes zonder mesjes bladert door mijn portemonnee. Een briefje van vijftig en heel veel kaartjes. Hij draait een wit kaartje om.

‘Je moet woensdag naar de tandarts,’ zegt hij. Ik bedank hem vriendelijk.

‘Is dit je zoon?’ vraagt hij. Ik kijk naar het pasfotootje. Dan zegt hij dat hij ook een zoon heeft. Hij haalt een foto uit zijn binnenzak. Een blond jongetje staat voor de poort van Artis.

‘Ik doe dit voor hem, weet je wel? Het is niets persoonlijks of zo. Maak je zakken eens leeg.’

‘Je hebt niet veel bij je, man.’

‘Ik weet het. Sorry.’

‘Dat briefje van vijftig houden we. En wat is je schoenmaat?’

’43.’

‘Welke maat heb jij ook alweer?’ vraagt hij aan de andere man. De andere man heeft maat 46.

‘En die chique jojo houden we ook. Er zitten lampjes in, toch? Doe eens voor.’

‘Ik ben er niet heel goed in,’ zeg ik.

Het is 04.23 en ik sta in de Bosboom Toussaintstraat te jojoën. De twee mannen kijken naar me. De rode lampjes knipperen.

‘En dat halve rolletje Fruittella nemen we ook mee,’ zegt de andere man.

‘Echt? Alle lekkere smaken zijn er al uit hoor.’

‘Dat maakt niet uit. Je moet woensdag naar de tandarts.’

Het hulpje van de tovenaar.

Op het prikbord in de supermarkt hangt een kaartje.

“Baan kwijt door corona. Zoek geen andere baan. Hoef geen geld. Ik wil gewoon mensen helpen.”

Ik vraag een pen aan het meisje dat achter de sigarettenbalie staat en schrijf het telefoonnummer van de mensenhelper op de rug van mijn hand.

De boodschap raakt me. Ik ben namelijk ook mijn baan kwijt en ik heb helemaal geen zin om mensen te helpen. Het enige wat ik eigenlijk wil doen is heel rijk worden, eigenaar worden van de krant waarvoor ik schreef en dan de man die mij aan de kant heeft gezet ontslaan. Ik word bijna geil als ik eraan denk. En ik zal het dan ook zijn. Geil. Niets is zo geilmakend als vergelding. Nee, gerechtigheid. Ik zal met hem meelopen naar de lift en met mijn erectie op het knopje drukken. De liftdeuren gaan open. Hij staat oog in oog met zijn vervanger. En de moeder van zijn vervanger. Zijn vervanger is een baby van 14 maanden.

“Word ik aan de kant gezet voor een baby?” zal hij vragen.

“Het zijn zware tijden en die baby is veel goedkoper.”

Ik sta nog steeds in de supermarkt. Het meisje dat achter de sigarettenbalie staat, kijkt fronsend naar me.

“Heeft u geen telefoon? U kunt dat nummer toch gewoon in uw telefoon zetten?”

“Natuurlijk heb ik een telefoon, maar ik vind het fijn om telefoonnummers op mijn hand te schrijven. Ik ben momenteel werkeloos, maar wat zie jij als je naar me kijkt? Ik ben een man met een telefoonnummer op zijn hand. Och, schat, ik heb het zo druk. Kijk naar mijn hand. Ik moet iemand bellen. Die persoon zit op mijn belletje te wachten. Ik ben belangrijk. Echt waar. Ik ben niet zielig, kijk dan, er staan talloze cijfers op mijn hand.”

Het meisje knikt, loopt weg, schuift een kast open, pakt twee pakjes Kent en geeft ze aan de vrouw die naast me staat.

De vrouw legt allemaal kleingeld op de balie.

“Ik heb liever dat u pint,” zegt het meisje.

“Sorry, maar dat gaat helaas niet. Er staat geen geld meer op mijn bankrekening. Dit is alles wat ik heb. Heel veel muntjes.”

Ik loop naar buiten en blijf even bij het fietsenrek staan. Ik ken dit fietsenrek goed. Sommige fietsen in dit rek staan er al maanden. Ik heb zelf geen fiets, maar als ik eventjes bij het rek blijf staan, kan zo’n vergeten fiets misschien denken dat ik zijn eigenaar ben. Ik wil de spatborden van de vergeten fietsen horen kwispelen, maar ik hoor niets. Het leven is een schakelketting van teleurstellingen. Ik heb hulp nodig.

“Met wie spreek ik?”

“Je telefoonnummer hing op het prikbord.”

“Heb je hulp nodig?”

“Ik denk het.”

“Wat is er dan?”

“Ook ik ben mijn baan verloren en mijn vader is verschrikkelijk ziek. Ik ben mijn hersenen kapot aan het denken. Ze lijken niet meer te werken. Niets raakt me, niets prikkelt. Bij de deur van kledingwinkels staat vaak een stoel, toch? De stoel ziet er comfortabel uit, maar ook goedkoop en pas als je gaat zitten voel je precies hoe goedkoop. Vaak zit er een man op die stoel. Een man die met zijn vrouw is gaan winkelen. De vrouw loopt langs de rekken en de man zit op de stoel. Er staan drie tassen tussen zijn benen. In geen van de drie tassen zit iets wat hij kan dragen. De man is dood van binnen. Zijn lichaam is de kist en zijn ziel is zijn lichaam. De man is levend begraven in zijn eigen vlees en bloed. Mijn hoofd is die man. Begrijp je? En ik weet wat je denkt, maar mijn psycholoog is drie weken op vakantie.”

“Waar moet ik je mee helpen dan?”

“Ik wil dat je me helpt om andere mensen te helpen. Ik wil jou helpen. Als de wereld op instorten staat, heb je twee soorten mensen. Je hebt mensen die de brokstukken opvangen en hier een nieuwe wereld mee proberen te bouwen. En je hebt mensen zoals ik. Ik verstop me achter een brokstuk en na een tijdje word ik er verliefd op. Vroeger maakten we allebei deel uit van iets groters. Dat schept een band. Een brokstuk en een wrakstuk. En ze leefden nog lang en te stukkig.”

“Wat heeft je vader?” vraagt de man.

“Iets wat niet meer overgaat, meneer. Ik slaap twee keer per week bij mijn ouders. Dan ligt hij op de bank en ik zit ertegenaan. Urenlang houden we elkaars hand vast. Hij zegt dat hij daar rustig van wordt. Mijn rechterhand is als een pot kamillethee. En weet je wat het is? Ik ben alleen nog maar gelukkig als ik tegen die bank aanzit. Als mijn vader en ik elkaar aanraken.”

“Vroeger was hij er als de wereld instortte. Zo zijn vaders. Nu kan je iets terugdoen. Een schuilkelder voor hem zijn. Of een pot kamillethee.”

“Ik zat vanochtend naar hem te kijken. Hij sliep. Mijn vader weegt steeds minder en toch zakt hij steeds dieper in de bank weg. Heel langzaam slokt dat meubelstuk hem op. Het leer kauwt zachtjes op mijn vader. Zo liefdevol en vertederend. Er zitten geen harde stukjes meer in hem. Mijn vader is babyvoeding. Ik gaf de leuning een kus. Als het zo doorgaat, hoeven we alleen onze bank te begraven.”

De man heet Merlijn en hij woont in de buurt van het Vondelpark. Ik bel bij hem aan. Hij doet de deur open. In de hal hangen twee racefietsen aan de muur.

“Je fietst graag?” vraag ik.

“Nee, die hangen er puur voor de sier. Ik kan niet tegen kale muren. Maar genoeg over mij. We moeten mensen helpen. Mijn telefoon staat roodgloeiend.”

“Wie gaan we eerst helpen?” vraag ik.

“Er woont een oude vrouw op het Minervaplein. Ze is bang voor het geluid van helikopters. Als je in Amsterdam woont, hoor je gemiddeld zo’n drie keer per dag het geluid van een helikopter. Dus jij gaat met een verrekijker op het dak staan en als je een helikopter aan ziet komen, bel je mij op. Dan zet ik de muziek heel hard aan.”

“Wat een mooi plan, Merlijn.”

“Het plan van morgen is misschien nog wel mooier. Er woont een man op het Mercatorplein. De man heeft sinds de coronacrisis is uitgebroken zijn post niet meer opengemaakt. Dat is een probleem. Hij is bang voor die stapel. Maar hij is dol op chocolade. Dus wat wij gaan doen is dit. Je maakt een envelop open, je stopt er een chocolaatje in en dan plak je de envelop weer dicht.”

“Dat is inderdaad een nog mooier plan. Hoe verzin je het?”

“De laatste maanden is mijn hart gegroeid. Ik verloor misschien mijn baan, maar ik vond zo veel meer. Ik wil nooit meer werken voor mensen, nee, ik wil werken vóór mensen. Begrijp je dat? Iedereen kan rijk worden, maar niet veel mensen kunnen chocolaatjes in enveloppen stoppen. Jij moet die chocolaatjes trouwens morgenochtend kopen. Schrijf het even op. Nee, niet in je telefoon. Schrijf het op je hand. Dit is belangrijk. Alleen onbaatzuchtigheid kan onze wereld redden. En schaam je vooral niet voor je pijn. Ik heb ook pijn. Dat is het leven. Verdriet weegt zwaarder dan confetti. Dat zal altijd zo blijven. Als je hart maar groot blijft. Zo groot mogelijk. Net zo groot als een mindervalidentoilet.”

De vrouw met helikoptervrees woont op de begane grond, maar ik moet naar het dak. Ik druk op het knopje van de lift. De deuren gaan open. Ik sluit mijn ogen.

Mijn zoon staat naast me in de lift. Ik geef hem een kus. Zijn haar ruikt naar kamillethee.

Ook mijn vrouw staat in de lift. Ik leg mijn hoofd op haar schouder. Ze draagt mijn verdriet als een zomerjurkje. Samen kunnen we alles aan. En ze laat me nooit vallen. Haar netkousen zijn van vangnetten gemaakt.

Ik kijk naar mijn gezin en mijn hart klopt zo hard dat niemand in de stad die helikopter kan horen.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde. Vanaf augustus schrijf ik elke week twee columns op deze site. Op de dinsdag en op de vrijdag. Fijne vakantie.



Donate € -


Gebroken beschuit

Ze willen uit elkaar gaan, maar mogen niet naar buiten. Pas als ze geen coronasymptomen meer hebben, kunnen ze hun relatie beëindigen. Dan pakt zij haar twee koffers en verdwijnt ze uit zijn leven.

Ze wonen op 60 vierkante meter in de Baarsjes. Zij slaapt op een luchtbed in de keuken en hij slaapt gewoon in hun bed. Elke avond zegt hij tegen haar dat hij best met haar wil ruilen, dat hij met alle liefde tussen de keukenkastjes op de keukenvloer plaats wil nemen, maar zijn liefdadigheid laat haar koud. De vlinders in haar buik hebben een iglo voor haar hart gebouwd.

“Ben jij al beter?” vraagt ze, terwijl ze cornflakes in een kommetje giet.

“Is dit een serieuze vraag? Kijk naar me.”

“Liever niet.”

“Het ademen gaat iets makkelijker dan gisteren, maar…”

“Je bent dus nog niet beter,” zucht ze.

“Kunnen we alsjeblieft een beetje lief voor elkaar zijn, Antoinette?”

“Waarom?”

“Dat jij mij haat, prima, maar ik wil jou niet haten. En ik weet dat dat alles makkelijker zou maken, maar ik vertik het. Hoe kleuterachtig je ook doet. Ik weiger je te verafschuwen. Maar waarom haat je mij eigenlijk?”

“Ik haat jou niet, nee, ik haat deze situatie. Ik haat jou in deze situatie. Zo’n duoquarantaine is voor niemand leuk. Zelfs Romeo en Julia zouden dit niet hebben getrokken. Hoe je steeds op mijn lip zit. Je bent een soort joggingbroek dragende aft.”

“Een aft? Een paar weken geleden schreef je met een vingertop op de beslagen badkamerspiegel dat je van me hield. Toen ik gisteravond douchte, verschenen die letters weer.”

“En ik hield ook van je, maar toen zag ik je beschuit eten. Wie heeft jou ooit beschuit leren eten?”

“Niemand. Heeft iemand jou ooit beschuit leren eten? Wil je echt beweren dat jij de enige niet autodidactische beschuiteter van Nederland bent?”

“Mijn moeder heeft me beschuit leren eten.”

“Pfff, ga lekker met je moeder samenwonen dan. Die kan namelijk nooit iets fout doen.”

“Mijn moeder luistert in ieder geval niet naar Radio 538 in de ochtend.”

“Ik vind het gewoon lekker wakker worden. Ze draaien misschien geen goede muziek, maar wel vrolijke en opzwepende. En dat kan ik nu wel gebruiken.”

“Weet je wat ik wel kan gebruiken?” vraagt ze.

“Nee, Antoinette, dat weet ik niet.”

“Dat we beter worden. Weet je wat wel grappig is, Paul? Eén van de symptomen van corona is dat je je reuk- en smaakvermogen verliest. Ik denk dat ik dus al corona had toen ik je voor de eerste keer zag. Ik was op slag verliefd. Nu ik zo terugkijk, denk ik dat ik mijn goede smaak toen al was verloren.”

“Jij wint. Ik slaap vanavond wel op het balkon.”

“Maar in de nacht vliegen er vleermuizen door de stad.”

“Dat maakt niet uit. Wat gaan die beesten doen? Ik heb toch al corona. En laten we eerlijk zijn, de grootste bloedzuiger van de stad slaapt op een luchtbed in mijn keuken.”

“Auw! Heel veel plezier op het balkon, Romeo.”

Ze kijkt door het keukenraam naar hoe hij ligt te slapen op het balkon. Hij ligt met zijn hoofd tegen één van de poten van de barbecue aan. Nu hij buiten ligt, mist ze hem.

De barbecue hebben ze te weinig gebruikt. En dat is haar schuld. Ze is zo iemand die het heerlijk vind om aan barbecueën te denken, maar het doen is een ander verhaal. Het is te veel werk. Net als onzelfzuchtige seks. Of de belastingaangifte doen.

Je haalt kolen, aanmaakblokjes, vlees, groenten, sauzen en als je dan de deksel van de barbecue haalt, zie je dat je na de vorige barbecue vergeten bent schoon te maken. En de vorige barbecue was in 2017. Het rooster lijkt op het gebit van een zwerver die twee maanzaadbolletjes met hagelslag heeft gegeten.

Hij wordt wakker op het balkon. De stad ruikt naar regen en dichte kroegen. Hij heeft mooi gedroomd. Over een andere vrouw. Een aardige vrouw. Een vrouw die haar best blijft doen. Een vrouw die blijft jagen op dat wat ze al heeft gevangen. Een vrouw die met haar prooi speelt, zoals een kat urenlang met een dode muis kan spelen.

Ze kijkt nog steeds naar hem. De laatste weken kon ze niet naar hem kijken, maar vandaag is alles anders. De coronacrisis deed dingen met haar. Een crisis vraagt om nieuwe inzichten en veranderingen. Dat voelde ze heel erg. Dat ze als een nieuw mens uit deze crisis wilde komen. Een beter mens, misschien. Maar in ieder geval een nieuw mens. Anders. Herboren. Aan het einde van deze donkere tunnel wilde ze niet alleen alle updates gedownload hebben, maar ook geïnstalleerd.

“Er staan belangrijke updates klaar. Wilt u opnieuw opstarten of moeten we u helpen herinneren?” Ze drukt met een vinger op de helpmijherinneren-knop op haar borstkas.

“Wil je koffie?” vraagt ze.

Hij staat op, klemt zijn ochtenderectie met de elastiekband van zijn onderbroek tegen zijn buik aan en knikt ja.

“Ik wil je niet kwijt,” zegt ze.

“Waarom probeerde je me dan te verstoppen?”

“Omdat ik je kwijt wilde.”

“Misschien wil ik jou nu wel kwijt.”

“En terecht,” zegt ze.

“Je was echt verschrikkelijk gemeen.”

“Iets of iemand fluisterde mij steeds in over de schone lei die op me aan het wachten was aan het einde van deze crisis.”

“Mensen die fluisteren spreken nooit de waarheid. Dat weet je. Eerlijke mensen hoeven niet te fluisteren.”

“Ik wil je niet kwijt.”

“Dan moet je me maar heel snel vinden, schat. Waar heb je me voor het laatst gezien? Ik help je niet herinneren.”

“Je lag te slapen op het balkon. Met je hoofd tegen de barbecue aan.”

“Heb je naar me gekeken toen ik sliep?”

“Ja. Ik kon niet anders. Ik wil je niet kwijt,” zegt ze.

“Mij ben je niet kwijt. Ik lig aan je voeten.”

Blote armen in de winter.

De laatste keer dat ik door de stad van mijn vader liep, was een half jaar geleden. Het was een wandeling van de nachtclub naar het vliegveld. Een wandeling van 11 kilometer. Ik liep door de stad die hij ooit verliet om te gaan varen. Mijn vader wilde de wereld zien. Ik was weer eens in Liverpool om zijn wereld te zien. De scholen, de kroegen, de goten en de bushaltes.

Elke school die ik passeerde, was zijn oude school en elk voetbalveldje was zijn voetbalveldje. De straten lagen bezaaid met herinneringen die ik ter plekke verzon. Ik had namelijk zo veel gedronken dat alles vroeger kon zijn.

De avond begon in een jazzclub. Voor de deur stond een uitsmijter met een machtige deukneus. Ik bestelde een cider aan de bar en keek wat rond. Ik wist niet waar ik was, maar ik was precies waar ik moest zijn. De lampjes van de gokkast knipperden in morsecode. “Welkom thuis,” seinden ze.

Een vrouw met borsten zo groot als reservewielen kwam naast me zitten. Ze rook naar het rolluik van een parfumerie. Ze rook zoet, maar ook naar avontuur.

“Kom je hier vandaan?” vroeg ze.

“Ik niet, maar mijn vader wel. Hij komt echt uit deze stad, ik kom alleen maar uit hem.”

“Woont hij hier nog steeds?”

“Nee.”

“Waarom is hij weggegaan?”

“Omdat ik geboren moest worden.”

Mijn vader verliet Liverpool om naar geluk te zoeken, maar hij vond iets veel groters. Mijn moeder vond hem in een kroeg op de Martelaarsgracht.

Aankomende week kan Liverpool voor het eerst in dertig jaar kampioen worden. Of ze worden zondag kampioen of ze worden volgende week woensdag kampioen. Zondag is het Vaderdag en op woensdag word ik veertig.

Ik hoop dat Liverpool op Vaderdag de titel pakt. Dat zou voor mij het allermooiste verjaardagscadeautje ooit zijn. Ik gun het mijn vader. En niet omdat hij ongeneselijk ziek is, nee, ik gun het hem omdat hij zijn geboortestad verliet, zodat mijn zus en ik een geboortestad konden hebben.

Ik weet nog dat hij me voor het eerst meenam naar een wedstrijd van Liverpool. En ik weet nog dat ik schrok van hoe hard hij kon zingen. Ik was nog klein. Ik schaamde me voor hem. Ik was bang voor al die mensen in dat stadion. Ze leken wel bezeten. Een groot gedeelte van de eerste helft had ik een sjaal voor mijn ogen. Ik was maar een jongetje uit Oud-Zuid. Dit was niet mijn wereld. Dit was de wereld van mijn vader. Hij wist waar deze hartstochtelijkheid vandaan kwam. Ik kende nog geen hartstocht. Ik zat op gitaarles en had een stapelbed. Soms sliep ik beneden en soms sliep ik boven.

Vandaag ben ik bang om een andere reden. Ik ben bang, omdat ik weet dat ik nooit meer met mijn vader in een voetbalstadion zal zitten. Hij zal nooit weten hoe hard ik tegenwoordig kan zingen. Hoe zijn wereld mijn wereld is geworden. Hoe ik in twee happen een lauwe stadionhamburger naar binnen kan werken. Of dat ik inmiddels door zijn stad loop, zoals hij vijftig jaar geleden door de stad liep. Met de kin omhoog en met blote armen in de winter. En met de bravoure van de meest talentvolle Beatle.

De laatste keer dat ik door Liverpool liep, werd ik aangesproken door een jongen met een gigantische hoofdwond. De wond was zo groot dat ik erin kon kijken. Ik keek in de wond en kon zijn dood zien ademhalen. De jongen vroeg om een sigaret. Ik gaf hem een sigaret en vroeg of hij hulp nodig had.

“Hulp waarmee? Ik heb alles al,” zei hij, terwijl hij naar een tatoeage in zijn nek wees.

“Ik ben voor Liverpool. Ik heb alles al, vriend.”

Deze week gaat de club van mijn vader voor het eerst in dertig jaar kampioen worden. En later dit jaar zal mijn vader voor het eerst nooit meer wakker worden. Dan zal hij voor altijd boven slapen en ik nog zo lang mogelijk beneden.

Al zal hij natuurlijk nooit helemaal verdwijnen. De belangrijke dingen spoelen niet weg. Onze liefde is veel te groot voor het afvoerputje.

En de volgende keer dat ik op Anfield zit, zal ik de hele wedstrijd een sjaal voor mijn ogen houden.

“Waarom heb je een sjaal voor je ogen?” zal een man vragen. Hoekig hoofd, hagelwitte gympen.

“Omdat ik niet wil zien dat mijn vader niet naast me zit.”

“Maar hij zit gewoon naast je.”

“Hoe bedoel je?”

“Liverpool-fans kunnen niet sterven. Onze harten stoppen niet.”

“Onze harten stoppen niet?”

“Nooit! Wij hebben de pacemakers van Gerry.”

Aankomende week gaat Liverpool voor het eerst in dertig jaar kampioen worden. Het zal wennen zijn. Of misschien ook niet. De laatste keer dat ze kampioen werden, was ik negen jaar oud.

De laatste keer dat ik kampioen werd, was gisteren. Toen mijn vader naar me keek.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde.



Donate € -