De zachtpatser.

Mijn zoon ligt op bed. Ik lig naast hem. Zijn rechtervoet raakt mijn linkervoet aan en zijn hoofd rust op mijn schouder. Vroeger deed dit geen pijn. Vroeger was zijn hoofd vederlicht. Er zat niets zwaars in. Alles was nog slagroom en confetti.

“Is opa al beter?” vraagt hij.

Vanochtend waren we op bezoek bij opa. Toen we binnenkwamen, stapte hij uit de douche. Hand in hand keken we naar mijn naakte vader. Een trotse man. Een halfgod, gehalveerd door de meest goddeloze ziekte.

“Je ziet er goed uit, opa,” zei mijn zoon. Hij meende het. Ik knuffelde mijn vader, zodat ik niet al te lang naar hem hoefde te kijken. Zijn huid voelde zacht aan en rook naar het soort douchegel dat je normaliter alleen in voetbalkleedkamers ruikt.

Het hoofd van mijn zoon wordt steeds zwaarder. Dat is wat ouder worden is. Een kinderhand is misschien gauw gevuld, maar het hoofd vult zich na het behalen van een bepaalde leeftijd nog veel sneller.

“Opa doet zijn stinkende best,” zeg ik.

“Maar gaat hij beter worden?”

“Ik hoop het, maar ik weet het niet.”

“Maar hij is mijn beste vriend.”

“Ook die van mij, lieverd.”

Ik pak een kinderboek van het nachtkastje en blader naar hoofdstuk zes. Dat is zijn favoriete hoofdstuk.

“Nee, ik heb vandaag geen zin in De fantastische meneer Vos. Ik wil een verhaal over opa. Net als gisteren,” zegt hij.

Ik sluit mijn ogen en begin te vertellen. Alles wat ik vertel is waar of onwaar, maar niets is gelogen. En terwijl ik vertel, denk ik aan een paar dagen geleden.

Een paar dagen geleden lag ik naast mijn vader op de bank. Mijn linkervoet raakte zijn rechtervoet aan. Het was al donker buiten. We keken naar oude golfwedstrijden op de televisie. Mijn vader was moe, maar hij wilde niet slapen. Hij was bang om zijn ogen dicht te doen. Met de ogen open was hij nog gewoon de directeur van zijn lichaam, maar op het moment dat hij ze dichtdeed, was hij niets meer dan de conciërge. De kanker was nog niet uitgezaaid naar zijn ogen, maar wel naar zijn dromen. Dus keken we naar oude golfwedstrijden. Mannen in nette broeken sloegen gaten in onze nacht. En toen viel hij toch in slaap. Maar niet heel diep. Dus vertelde ik hem verhalen over zijn kleinzoon. Alles wat ik hem vertelde was waar.

“Gaat opa naar de hemel?” vraagt mijn zoon.

“Weet je wat de hemel is dan?”

“Niet helemaal. Ik weet dat het hoog in de lucht is,” zegt hij.

“Je kent Superman, toch? Nou, er is altijd een moment dat hij zich om moet kleden. Op dat moment ziet niemand hem, maar hij is er. Ik denk dat dat de hemel is. Gewoon een omkleedmoment. De hemel is een telefooncel in de wolken. Een plek waar we ongezien onze cape kunnen omdoen.”

Hij neemt genoegen met mijn uitleg en drukt zijn lippen tegen mijn wang aan. Daarna gaat hij met zijn gezicht boven mijn gezicht hangen. Een volle maan met krullend haar. Dan laat hij zijn hoofd op mijn schouder vallen en dommelt weg.

Als hij diep genoeg slaapt, ga ik met mijn gezicht boven zijn gezicht hangen. Een zachtpatser met een baard.

Ik blaas zachtjes in zijn neusgaten.

Er vliegt confetti uit zijn oren.

10 gedachtes over “De zachtpatser.

Geef een reactie