Gebroken beschuit

Ze willen uit elkaar gaan, maar mogen niet naar buiten. Pas als ze geen coronasymptomen meer hebben, kunnen ze hun relatie beëindigen. Dan pakt zij haar twee koffers en verdwijnt ze uit zijn leven.

Ze wonen op 60 vierkante meter in de Baarsjes. Zij slaapt op een luchtbed in de keuken en hij slaapt gewoon in hun bed. Elke avond zegt hij tegen haar dat hij best met haar wil ruilen, dat hij met alle liefde tussen de keukenkastjes op de keukenvloer plaats wil nemen, maar zijn liefdadigheid laat haar koud. De vlinders in haar buik hebben een iglo voor haar hart gebouwd.

“Ben jij al beter?” vraagt ze, terwijl ze cornflakes in een kommetje giet.

“Is dit een serieuze vraag? Kijk naar me.”

“Liever niet.”

“Het ademen gaat iets makkelijker dan gisteren, maar…”

“Je bent dus nog niet beter,” zucht ze.

“Kunnen we alsjeblieft een beetje lief voor elkaar zijn, Antoinette?”

“Waarom?”

“Dat jij mij haat, prima, maar ik wil jou niet haten. En ik weet dat dat alles makkelijker zou maken, maar ik vertik het. Hoe kleuterachtig je ook doet. Ik weiger je te verafschuwen. Maar waarom haat je mij eigenlijk?”

“Ik haat jou niet, nee, ik haat deze situatie. Ik haat jou in deze situatie. Zo’n duoquarantaine is voor niemand leuk. Zelfs Romeo en Julia zouden dit niet hebben getrokken. Hoe je steeds op mijn lip zit. Je bent een soort joggingbroek dragende aft.”

“Een aft? Een paar weken geleden schreef je met een vingertop op de beslagen badkamerspiegel dat je van me hield. Toen ik gisteravond douchte, verschenen die letters weer.”

“En ik hield ook van je, maar toen zag ik je beschuit eten. Wie heeft jou ooit beschuit leren eten?”

“Niemand. Heeft iemand jou ooit beschuit leren eten? Wil je echt beweren dat jij de enige niet autodidactische beschuiteter van Nederland bent?”

“Mijn moeder heeft me beschuit leren eten.”

“Pfff, ga lekker met je moeder samenwonen dan. Die kan namelijk nooit iets fout doen.”

“Mijn moeder luistert in ieder geval niet naar Radio 538 in de ochtend.”

“Ik vind het gewoon lekker wakker worden. Ze draaien misschien geen goede muziek, maar wel vrolijke en opzwepende. En dat kan ik nu wel gebruiken.”

“Weet je wat ik wel kan gebruiken?” vraagt ze.

“Nee, Antoinette, dat weet ik niet.”

“Dat we beter worden. Weet je wat wel grappig is, Paul? Eén van de symptomen van corona is dat je je reuk- en smaakvermogen verliest. Ik denk dat ik dus al corona had toen ik je voor de eerste keer zag. Ik was op slag verliefd. Nu ik zo terugkijk, denk ik dat ik mijn goede smaak toen al was verloren.”

“Jij wint. Ik slaap vanavond wel op het balkon.”

“Maar in de nacht vliegen er vleermuizen door de stad.”

“Dat maakt niet uit. Wat gaan die beesten doen? Ik heb toch al corona. En laten we eerlijk zijn, de grootste bloedzuiger van de stad slaapt op een luchtbed in mijn keuken.”

“Auw! Heel veel plezier op het balkon, Romeo.”

Ze kijkt door het keukenraam naar hoe hij ligt te slapen op het balkon. Hij ligt met zijn hoofd tegen één van de poten van de barbecue aan. Nu hij buiten ligt, mist ze hem.

De barbecue hebben ze te weinig gebruikt. En dat is haar schuld. Ze is zo iemand die het heerlijk vind om aan barbecueën te denken, maar het doen is een ander verhaal. Het is te veel werk. Net als onzelfzuchtige seks. Of de belastingaangifte doen.

Je haalt kolen, aanmaakblokjes, vlees, groenten, sauzen en als je dan de deksel van de barbecue haalt, zie je dat je na de vorige barbecue vergeten bent schoon te maken. En de vorige barbecue was in 2017. Het rooster lijkt op het gebit van een zwerver die twee maanzaadbolletjes met hagelslag heeft gegeten.

Hij wordt wakker op het balkon. De stad ruikt naar regen en dichte kroegen. Hij heeft mooi gedroomd. Over een andere vrouw. Een aardige vrouw. Een vrouw die haar best blijft doen. Een vrouw die blijft jagen op dat wat ze al heeft gevangen. Een vrouw die met haar prooi speelt, zoals een kat urenlang met een dode muis kan spelen.

Ze kijkt nog steeds naar hem. De laatste weken kon ze niet naar hem kijken, maar vandaag is alles anders. De coronacrisis deed dingen met haar. Een crisis vraagt om nieuwe inzichten en veranderingen. Dat voelde ze heel erg. Dat ze als een nieuw mens uit deze crisis wilde komen. Een beter mens, misschien. Maar in ieder geval een nieuw mens. Anders. Herboren. Aan het einde van deze donkere tunnel wilde ze niet alleen alle updates gedownload hebben, maar ook geïnstalleerd.

“Er staan belangrijke updates klaar. Wilt u opnieuw opstarten of moeten we u helpen herinneren?” Ze drukt met een vinger op de helpmijherinneren-knop op haar borstkas.

“Wil je koffie?” vraagt ze.

Hij staat op, klemt zijn ochtenderectie met de elastiekband van zijn onderbroek tegen zijn buik aan en knikt ja.

“Ik wil je niet kwijt,” zegt ze.

“Waarom probeerde je me dan te verstoppen?”

“Omdat ik je kwijt wilde.”

“Misschien wil ik jou nu wel kwijt.”

“En terecht,” zegt ze.

“Je was echt verschrikkelijk gemeen.”

“Iets of iemand fluisterde mij steeds in over de schone lei die op me aan het wachten was aan het einde van deze crisis.”

“Mensen die fluisteren spreken nooit de waarheid. Dat weet je. Eerlijke mensen hoeven niet te fluisteren.”

“Ik wil je niet kwijt.”

“Dan moet je me maar heel snel vinden, schat. Waar heb je me voor het laatst gezien? Ik help je niet herinneren.”

“Je lag te slapen op het balkon. Met je hoofd tegen de barbecue aan.”

“Heb je naar me gekeken toen ik sliep?”

“Ja. Ik kon niet anders. Ik wil je niet kwijt,” zegt ze.

“Mij ben je niet kwijt. Ik lig aan je voeten.”

Geef een reactie