Het hulpje van de tovenaar.

Op het prikbord in de supermarkt hangt een kaartje.

“Baan kwijt door corona. Zoek geen andere baan. Hoef geen geld. Ik wil gewoon mensen helpen.”

Ik vraag een pen aan het meisje dat achter de sigarettenbalie staat en schrijf het telefoonnummer van de mensenhelper op de rug van mijn hand.

De boodschap raakt me. Ik ben namelijk ook mijn baan kwijt en ik heb helemaal geen zin om mensen te helpen. Het enige wat ik eigenlijk wil doen is heel rijk worden, eigenaar worden van de krant waarvoor ik schreef en dan de man die mij aan de kant heeft gezet ontslaan. Ik word bijna geil als ik eraan denk. En ik zal het dan ook zijn. Geil. Niets is zo geilmakend als vergelding. Nee, gerechtigheid. Ik zal met hem meelopen naar de lift en met mijn erectie op het knopje drukken. De liftdeuren gaan open. Hij staat oog in oog met zijn vervanger. En de moeder van zijn vervanger. Zijn vervanger is een baby van 14 maanden.

“Word ik aan de kant gezet voor een baby?” zal hij vragen.

“Het zijn zware tijden en die baby is veel goedkoper.”

Ik sta nog steeds in de supermarkt. Het meisje dat achter de sigarettenbalie staat, kijkt fronsend naar me.

“Heeft u geen telefoon? U kunt dat nummer toch gewoon in uw telefoon zetten?”

“Natuurlijk heb ik een telefoon, maar ik vind het fijn om telefoonnummers op mijn hand te schrijven. Ik ben momenteel werkeloos, maar wat zie jij als je naar me kijkt? Ik ben een man met een telefoonnummer op zijn hand. Och, schat, ik heb het zo druk. Kijk naar mijn hand. Ik moet iemand bellen. Die persoon zit op mijn belletje te wachten. Ik ben belangrijk. Echt waar. Ik ben niet zielig, kijk dan, er staan talloze cijfers op mijn hand.”

Het meisje knikt, loopt weg, schuift een kast open, pakt twee pakjes Kent en geeft ze aan de vrouw die naast me staat.

De vrouw legt allemaal kleingeld op de balie.

“Ik heb liever dat u pint,” zegt het meisje.

“Sorry, maar dat gaat helaas niet. Er staat geen geld meer op mijn bankrekening. Dit is alles wat ik heb. Heel veel muntjes.”

Ik loop naar buiten en blijf even bij het fietsenrek staan. Ik ken dit fietsenrek goed. Sommige fietsen in dit rek staan er al maanden. Ik heb zelf geen fiets, maar als ik eventjes bij het rek blijf staan, kan zo’n vergeten fiets misschien denken dat ik zijn eigenaar ben. Ik wil de spatborden van de vergeten fietsen horen kwispelen, maar ik hoor niets. Het leven is een schakelketting van teleurstellingen. Ik heb hulp nodig.

“Met wie spreek ik?”

“Je telefoonnummer hing op het prikbord.”

“Heb je hulp nodig?”

“Ik denk het.”

“Wat is er dan?”

“Ook ik ben mijn baan verloren en mijn vader is verschrikkelijk ziek. Ik ben mijn hersenen kapot aan het denken. Ze lijken niet meer te werken. Niets raakt me, niets prikkelt. Bij de deur van kledingwinkels staat vaak een stoel, toch? De stoel ziet er comfortabel uit, maar ook goedkoop en pas als je gaat zitten voel je precies hoe goedkoop. Vaak zit er een man op die stoel. Een man die met zijn vrouw is gaan winkelen. De vrouw loopt langs de rekken en de man zit op de stoel. Er staan drie tassen tussen zijn benen. In geen van de drie tassen zit iets wat hij kan dragen. De man is dood van binnen. Zijn lichaam is de kist en zijn ziel is zijn lichaam. De man is levend begraven in zijn eigen vlees en bloed. Mijn hoofd is die man. Begrijp je? En ik weet wat je denkt, maar mijn psycholoog is drie weken op vakantie.”

“Waar moet ik je mee helpen dan?”

“Ik wil dat je me helpt om andere mensen te helpen. Ik wil jou helpen. Als de wereld op instorten staat, heb je twee soorten mensen. Je hebt mensen die de brokstukken opvangen en hier een nieuwe wereld mee proberen te bouwen. En je hebt mensen zoals ik. Ik verstop me achter een brokstuk en na een tijdje word ik er verliefd op. Vroeger maakten we allebei deel uit van iets groters. Dat schept een band. Een brokstuk en een wrakstuk. En ze leefden nog lang en te stukkig.”

“Wat heeft je vader?” vraagt de man.

“Iets wat niet meer overgaat, meneer. Ik slaap twee keer per week bij mijn ouders. Dan ligt hij op de bank en ik zit ertegenaan. Urenlang houden we elkaars hand vast. Hij zegt dat hij daar rustig van wordt. Mijn rechterhand is als een pot kamillethee. En weet je wat het is? Ik ben alleen nog maar gelukkig als ik tegen die bank aanzit. Als mijn vader en ik elkaar aanraken.”

“Vroeger was hij er als de wereld instortte. Zo zijn vaders. Nu kan je iets terugdoen. Een schuilkelder voor hem zijn. Of een pot kamillethee.”

“Ik zat vanochtend naar hem te kijken. Hij sliep. Mijn vader weegt steeds minder en toch zakt hij steeds dieper in de bank weg. Heel langzaam slokt dat meubelstuk hem op. Het leer kauwt zachtjes op mijn vader. Zo liefdevol en vertederend. Er zitten geen harde stukjes meer in hem. Mijn vader is babyvoeding. Ik gaf de leuning een kus. Als het zo doorgaat, hoeven we alleen onze bank te begraven.”

De man heet Merlijn en hij woont in de buurt van het Vondelpark. Ik bel bij hem aan. Hij doet de deur open. In de hal hangen twee racefietsen aan de muur.

“Je fietst graag?” vraag ik.

“Nee, die hangen er puur voor de sier. Ik kan niet tegen kale muren. Maar genoeg over mij. We moeten mensen helpen. Mijn telefoon staat roodgloeiend.”

“Wie gaan we eerst helpen?” vraag ik.

“Er woont een oude vrouw op het Minervaplein. Ze is bang voor het geluid van helikopters. Als je in Amsterdam woont, hoor je gemiddeld zo’n drie keer per dag het geluid van een helikopter. Dus jij gaat met een verrekijker op het dak staan en als je een helikopter aan ziet komen, bel je mij op. Dan zet ik de muziek heel hard aan.”

“Wat een mooi plan, Merlijn.”

“Het plan van morgen is misschien nog wel mooier. Er woont een man op het Mercatorplein. De man heeft sinds de coronacrisis is uitgebroken zijn post niet meer opengemaakt. Dat is een probleem. Hij is bang voor die stapel. Maar hij is dol op chocolade. Dus wat wij gaan doen is dit. Je maakt een envelop open, je stopt er een chocolaatje in en dan plak je de envelop weer dicht.”

“Dat is inderdaad een nog mooier plan. Hoe verzin je het?”

“De laatste maanden is mijn hart gegroeid. Ik verloor misschien mijn baan, maar ik vond zo veel meer. Ik wil nooit meer werken voor mensen, nee, ik wil werken vóór mensen. Begrijp je dat? Iedereen kan rijk worden, maar niet veel mensen kunnen chocolaatjes in enveloppen stoppen. Jij moet die chocolaatjes trouwens morgenochtend kopen. Schrijf het even op. Nee, niet in je telefoon. Schrijf het op je hand. Dit is belangrijk. Alleen onbaatzuchtigheid kan onze wereld redden. En schaam je vooral niet voor je pijn. Ik heb ook pijn. Dat is het leven. Verdriet weegt zwaarder dan confetti. Dat zal altijd zo blijven. Als je hart maar groot blijft. Zo groot mogelijk. Net zo groot als een mindervalidentoilet.”

De vrouw met helikoptervrees woont op de begane grond, maar ik moet naar het dak. Ik druk op het knopje van de lift. De deuren gaan open. Ik sluit mijn ogen.

Mijn zoon staat naast me in de lift. Ik geef hem een kus. Zijn haar ruikt naar kamillethee.

Ook mijn vrouw staat in de lift. Ik leg mijn hoofd op haar schouder. Ze draagt mijn verdriet als een zomerjurkje. Samen kunnen we alles aan. En ze laat me nooit vallen. Haar netkousen zijn van vangnetten gemaakt.

Ik kijk naar mijn gezin en mijn hart klopt zo hard dat niemand in de stad die helikopter kan horen.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde. Vanaf augustus schrijf ik elke week twee columns op deze site. Op de dinsdag en op de vrijdag. Fijne vakantie.



Donate € -


6 gedachtes over “Het hulpje van de tovenaar.

  1. Niet meer voor iemand werken maar vóór iemand. Als iedereen dat zou doen ziet de wereld er een stuk mooier uit! ×× Martin

  2. Prachtig stuk. Zoals al jouw meesterwerkjes op papier. Gelijk maar een bedragje gedoneerd aan je. Opdat James Worthy, en de pen (toetsenbord), van James Worthy nooit verloren gaat.

Geef een reactie