1949 – 2020

Liverpool 12 december 1949 – Amsterdam 23 augustus 2020

Afgelopen weekend zag ik twee mannen in pak jou naar beneden dragen. Ze droegen je naar beneden, terwijl je naar boven aan het gaan was. Het was half vier in de nacht. Vier uur daarvoor zat ik met vrienden op het terras op de hoek van de straat. We hadden het gezellig. Ik weet zeker dat je ons hoorde lachen en schreeuwen. De ramen van de huiskamer stonden op een kier. Het was drukkend weer.

Om kwart over twaalf, ik was redelijk beneveld van vier kannen sangria, liep ik terug naar mijn ouderlijk huis. Ons huis. Jay, Teuntje, Bianca en Jamie. Ik draaide de deur open en liep naar de keuken om mijn gezicht en handen te wassen. Ik had wat sigaretten gerookt. Ik weet ook niet waarom. Met een schoon gezicht liep ik naar je toe. Jij, in je ziekenhuisbed. Je lag comfortabel. Ik scheen met de zaklamp op je borst om te kijken of je nog ademde. Je ademde. Ik gaf je een kus op je voorhoofd en zei dat ik fucking veel van je hield. Daarna liep ik naar mijn oude slaapkamer en plofte neer op het logeerbed. Mama klopte op de deur. Of ik even wilde komen kijken. We deden het grote licht aan en keken naar je. Het was iets voor half 1. Je was weg. Er tussen uitgeknepen via de openstaande ramen.

Ik ben vaak blij geweest, ik heb ook veel om blij voor te zijn. Maar het feit dat jij op me hebt gewacht, terwijl ik met mijn vrienden aan het genieten was, zegt veel over wie je was. Toen ik geboren werd, deelde ik mijn begin met jou en afgelopen weekend deelde je jouw einde met mij. Een groter geschenk heb en zal ik nooit meer krijgen. En dat klinkt misschien gek. De dood als geschenk. Maar verdomme, wat was je ziek. En wat hebben jij en mam de afgelopen maanden de sterren van de hemel gespeeld. Liefhebben is een werkwoord, maar jullie hoefden er niet voor te werken. Het was er gewoon.

Ik wil je bedanken voor alles. Voor de duizenden keren dat je me naar voetbaltraining bracht. Het spijt me dat ik geen prof ben geworden. De scouts zagen het verkeerd. Ik wil je bedanken voor je begrip. Je vertrouwen. Je zag wie ik was, voordat ik wist wie ik wilde worden. Ik was een bang jongetje, een doodsbang jongetje, maar dankzij jou en mam, jullie trotse ogen, ben ik precies geworden wie ik denk te moeten zijn. Zelfs als ik faalde, waren jullie trots op me. Ik heb zeven jaar over mijn havo gedaan en toch bleven jullie naar mij kijken alsof ik Isaac Newton was. Ik kon het nooit verkeerd doen, omdat jullie al foutloos waren.

Ik vind het moeilijk om me voor te stellen dat je er niet meer bent. Maar ik moet eerlijk tegen mezelf zijn. Je bent er niet meer. Ik heb je zelf zien gaan.

De lasser uit Noord, renoveert nu de hemelpoort.

Ik ga je niet missen, want als ik in de spiegel kijk zie ik je. Als ik naar mijn zoon kijk, zie ik je. James, James en James. Ik ben zo trots op mijn naam. En zo trots op jou. Alle vrienden die ik ooit heb gehad vonden jou cooler dan dat ze mij vonden. En terecht. Alle vriendinnen die ik ooit heb gehad, waren stiekem verliefder op jou dan dat ze op mij waren. En terecht.

Ik ga je niet missen. Ik ga je niet missen.

Ik mis je.

Twee weken voordat je ging, zat ik naast je. Op woensdagochtend was ik je vaste oppas. Maar ik deed niet veel. Ik zat naast je en ik hield je hand vast. Samen keken we naar televisieprogramma’s die normaliter alleen door werklozen worden bekeken. Maar wij waren niet werkloos. Nee. We waren professionele handvasthouders.

Ik ga je vingers missen. Ik mis je zwarte tasje. Ik mis de geur van je werkplaats. Ik mis dat je me leerde vissen en dat ik nog steeds niet weet hoe ik moet vissen. Maar dat maakt niet uit. Het ging niet om de hengel of om de karper. Het ging om de vader en de zoon. Dat is wat het leven is. Zo veel mogelijk tijd met elkaar doorbrengen. Niet naar de dobber kijken, maar naar elkaar.

Toen je zaterdagnacht naar beneden werd gedragen ging ik je voor. Ik had je telefoon bij me. Ik tikte je code in. 0007. En appte met jouw telefoon naar mijn telefoon dat je van me hield. Toen ik weer boven was, pakte ik mijn eigen telefoon en stuurde ik naar jouw telefoon dat ik ook van jou hield.

Wie gaat me nu naar voetbaltraining brengen?

Vroeger, als we het over de dood hadden, zei je dat je je lichaam aan de wetenschap wilde schenken. Ik vond dat zo mooi. Ik droomde daar vaak over. Dat je hart naar iemand uit Friesland ging, je lever naar een vrouw uit Rotterdam en een stuk van je huid naar een jongen die kokend heet water over zijn armen had gekregen. Je vond dat zelf ook een mooie gedachte, maar toen werd je ziek. Alles wat je had willen schenken, werd door de kanker verdonkeremaand. Al je wonderschone organen belandden in een moddergevecht met de smerigste modderfokker van ons sterrenstelsel. En zodoende werd je droom om deze wereld op je vrijgevigst te verlaten volledig verziekt.

Toen je zaterdagnacht op reis ging naar een wereld waar modder niet bestaat, heb ik een plukje haar van je schedel geknipt. Dit plukje heb ik de volgende dag aan een bevriende wetenschapper gegeven. Hij gaat er iets mee doen, Dad. Wat, weet ik niet, maar ik weet bijna zeker dat hij met behulp van jouw grijze haartjes onze wereld gaat redden.

Je werkte in de buurt van de Papaverweg. En nu is papa ver weg.

Gisteren hebben we afscheid van je genomen. Gisteren, op jullie 44e trouwdag. 44. Het is een nummer dat vaker voorkomt in de geschiedenis van jullie ongeëvenaarde liefdeshistorie. Toen mama 44 was, werd ze onwel. Je dochter belde de huisarts op en hij zei dat mama naar alle waarschijnlijkheid aan het hyperventileren was. Jij vertrouwde het niet. Alle kleuren verlieten haar gezicht, wangen als stoepkrijt in de regen. Jij plukte wat ongestreken kleding van de strijkplank en kleedde haar aan.

Bianca en ik keken uit het raam naar hoe je mama op de achterbank van onze auto neerlegde. Ik weet nog dat ik aan mijn zus vroeg of ze dacht dat het ernstig was. Ik had geen bloed gezien, dus ik dacht van niet.

Je hebt het nog lang over die nachtelijke rit gehad. Over hoe bang je was. Zo bang dat je door rood racete en over wat pionnen reed die op de Amstelveenseweg stonden. Je had je rijbewijs kwijt kunnen raken in de nacht dat je je vrouw bijna verloor. Maar je raakte niets kwijt, en wij ook niet. Je redde haar leven. Mama is er nog steeds.

Ik mis je. Ik mis je sms’je als er voetbal op de televisie is, maar je er niet naar mag kijken van mama. Ik mis dat er een kroon uit je mond valt en dat je die kunsttand dan met bijzonder sterke lijm terug in je mond plaatst. Ik mis jij en ik op de tennisbaan en jouw gevloek als ik van die gekke tafeltennisballen sla. “Dat is geen tennis!”

Ik mis dat je om mijn oude kleren vraagt, deze draagt en er prachtig uitziet. Ik mis je kussen en knuffels, jouw aftershave in mijn baard. Ik mis dat je tegen me zegt dat ik een steeds betere schrijver aan het worden ben en ik mis het om tegen jou te zeggen dat jouw goedkeuring de enige goedkeuring is die ik nodig heb. Ik mis je cheese on toast. Ik mis zelfs de doodzieke jij.

Een paar dagen voordat je echt slecht werd, zat ik naast je bed. Je ging met een hand door mijn haar. Ik had je net je pillen gegeven. De morfine maakte je spiritueel. Je was altijd al mijn held geweest, maar opeens was je ook mijn goeroe. Ik vond dat mooi. Je was altijd wel wijs geweest, maar opeens sprak je het ook. Je sprak over de dood alsof je over een vakantieliefde sprak.

In het verleden leerde je me meer over de wijsheden van de straat. Zo leerde je me ooit dat je een gevecht het beste voor een politiebureau kunt beginnen. Dit omdat er een kans bestaat dat je het gevecht verliest en tja, dan weet je in ieder geval dat de politie snel ingrijpt. Dus je kunt nooit heel erg verliezen als je een vechtpartij voor een politiebureau begint. Dit soort dingen leerde je me vroeger.

Een paar dagen voordat je echt slecht werd, leerde je me iets wat ik nooit meer vergeet. Je stem was al bijna weg, maar ik hoorde je.

“Uitzichtloosheid is soms dus iets om naar uit te kijken,” zei je. En je had gelijk. De laatste vier maanden van je leven waren prachtig. De dood kroop naar je toe als een eenzame kat, maar je was niet bang, nee, je zette gewoon een schaaltje melk en wat brokjes voor hem neer. Je keek de dood in de ogen en je stelde de dood gerust. Zo groot was jij. Een wolkenkrabber van een man. Je was niet als de dood voor de dood, nee, je was als een vader voor de dood. En voor iedereen die je tegenkwam.

Ik hou van je en ik zal een standbeeld voor je schrijven.

Alles was mooi en dat is het nog steeds.

60 gedachtes over “1949 – 2020

Geef een reactie