Nog een stukje standbeeld.

We zijn alweer een week verder. De wereld draait door, zelfs zonder jou erop. Zwaartekracht wacht op niemand.

Er vliegt al een paar dagen een vlieg door onze huiskamer. Mijn vrouw vraagt steeds of ik de vlieg het raam uit wil begeleiden, maar ik wil het niet. Ik heb nooit in reïncarnatie geloofd, maar ik ben ook nog nooit een vader verloren. Misschien ben jij die vlieg wel. Geruststellend gezoem. Af en toe land je op mijn arm. Jouw harige pootjes op mijn donzige armen. En dan kijk ik heel even in je glorieuze facetogen. Mijn vader de bromvlieg. Terwijl ik dit schrijf, zit je jezelf te wassen op het half aangevreten klokhuis van een Pink Lady. Het stickertje zit er nog op. Pas op dat je er niet in stikt.

Je kleinzoon loopt door het huis met de rouwkaart. Op de voorkant staat jouw gezicht. Als hij tekenfilms kijkt, zet hij de kaart op de leuning van de bank, zodat je mee kan kijken. Als hij onder de douche staat, staat de kaart naast de wasbak. Sinds kort wast hij zijn eigen haar. Je kleinzoon is niet meer bang voor shampoo. Nog even en hij is volwassen.

Zaterdag heeft Liverpool gespeeld. Ik heb geprobeerd te kijken, maar ik voelde het niet. Ik kwam er niet in. Als ze vroeger wonnen, wonnen we samen. Als ze nu winnen, win ik alleen, en in je eentje winnen is misschien wel erger dan samen verliezen.

Volgens mij ben ik een beetje aan het doordraaien. Ik zie je overal. Ik zie je vaker dan toen je nog leefde. En ik denk ook vaker aan je.

Er zijn veel podcasts over rouwen. Ik heb er al tien geluisterd. Het is fijn om naar andermans verdriet te luisteren. Ik pak mijn eigen pijn en leg het neer in andermans tranen. Ik laat mijn pijn een paar uur marineren in het leed van een ander. In de avond bak ik het in een koekenpan, maar de pijn smaakt nog precies hetzelfde als gisteren en eergisteren. Maar tijdens het luisteren was ik niet alleen. Ja, ik was het wel, maar zo voelde het niet.

Ik werd gebeld door iemand die eerder dit jaar zijn vader verloor. Hij vertelde hoe hij zich voelde en vroeg zich af of ik me ook zo voelde. Ik voelde me niet zo.

‘Het voelt alsof ik mijn sleutels kwijt ben. Hoe voelt het voor jou?’ vroeg hij.

‘Ik heb mijn sleutels gewoon in mijn hand, maar ik ben mijn huis kwijt. Zo voelt het.’

‘Het went. Geloof mij. Tijd heelt alle wonden.’

‘Ongetwijfeld, maar ondertussen maakt tijd ook nieuwe wonden. Wat dat betreft is tijd vrij onhandig. Het ligt altijd open.’

‘Maar je moet doorgaan. Dat had je vader gewild.’

‘Ik hou van mijn vader, maar hij heeft niets te willen. Ik moet dit alleen doen.’

Ik zie je dus overal. Jij bent alle grijsharige mannen in Amsterdam. Soms sta je op de tramhalte met een krentenbol. En dan zie ik, na twee keer kijken, dat jij het niet bent, maar jij hield ook van krentenbollen, dus dan begin ik toch weer te twijfelen. Twee krentenbollen, dat was jouw standaard lunch.

Je bent overal. Sommige mensen zouden het hallucineren noemen, maar ik noem het anders. Ik noem het jaloezieneren, omdat ik enorm jaloers ben op al mijn hallucinaties.

Toen je echt ziek was, kreeg je druppels Haldol. Dit remde je wanen en hallucinaties. Ik heb nog geen behoefte aan die druppels. Ik hoef niets te remmen. Ik neem dat wat er niet meer is waar en dat wat er niet meer is, is het enige wat ik wil zien. Je staat in portieken en op het dak van een huis op de Nassaukade. Je bent bromvliegen, duiven, halsbandparkieten en een straatkat in de Lomanstraat.

Ik weet niet zo goed wat ik aan het doen ben, Dad. Is dit wat rouwen is?

Op school leerde ik over eiwitsynthese, de bouw van atomen en wat het verschil tussen een sociale en een klassieke verzorgingsstaat is, maar over rouwen heb ik nooit iets geleerd. Ik leerde van een rossige biologieleraar waar kinderen vandaan komen, maar hij leerde me niets over het einde. Over dit gevoel. Het voelt alsof ik met een fles prikloze cola aan het schudden ben in de hoop dat er weer prik in de frisdrank komt. Ik ben compleet verdwaald in een wereld die ik als mijn broekzak dacht te kennen. Ik zoek naar sterren in de grond en naar plantjes in de lucht. En het is niet alleen een geestelijk proces, want er gebeuren ook dingen met mijn lichaam. Ik heb al een week een droge mond. Het is alsof mijn hart al het speeksel gebruikt om de rest van mijn lichaam mee te sussen. Het fluistert bemoedigende woordjes door mijn bloedbaan, maar het werkt niet. Niets werkt. Het gemis vermenigvuldigt zich als fruitvliegjes. Ik moet aan je blijven denken, anders ben je er echt niet meer. Jouw dagen zijn misschien geteld, maar ik blijf voor je doortellen.

Is dit wat rouwen is? Naar het achtuurjournaal kijken en mensen aanwijzen die eerder dan jij hadden moeten gaan. Ik doe het zelfs op straat. Onbewust. Ik kijk naar oude mensen en twijfel aan het lotingssysteem van de dood. Mopperende oudjes in de supermarkt en op de tramhalte. Jij mopperde verdomme nooit.

Toen ik klein was, vond ik een keer een baby-egel in het Vondelpark. Ik ritste mijn schooltas open en zocht naar iets waarin ik het diertje kon bewaren. Uiteindelijk stopte ik het in een boterhamzakje. Met het zakje in mijn hand liep ik naar huis. Ik keek vrijwel onafgebroken naar het egeltje en het egeltje keek soms naar mij. Toen ik de drukke Koninginneweg over moest steken, lette ik niet op het diertje. Na het oversteken, stond ik met een opengescheurd boterhamzakje in mijn handen. De egel had zijn stekels gebruikt. Zo voelt rouwen ook. Alsof je een egel in een boterhamzakje probeert te bewaren.  

Met mijn hart en mijn hersenen leef ik in het verleden. Ik stapelde alle mooie herinneringen op en nu zweef ik door de ruimte. Hier is geen zwaartekracht. Niets valt meer op zijn plek. Toen jij stierf heb ik een fotokopie van mezelf gemaakt en deze kopie heb ik op het heden vastgeplakt. De persoon die dit zit te tikken is de echo van de man die compleet in het verleden leeft.

Is dit wat rouwen is? Ik wil niet eten, want alles proeft naar jou. Ik wil niet naar buiten, want de grachten kletteren jouw naam. De trams tringelen de ringtone van jouw telefoon. Sinds je er niet meer bent, ben jij de stad. De straten zijn van jouw huid gemaakt, jouw armen zijn de bruggen, de veerponten zijn jouw dromen en de tunnels zijn je twijfels. Een deurwaarder in West klopt op een voordeur in het ritme van jouw hart. Niemand doet open. Een meisje fietst door het Vondelpark. Ze heeft haar handen niet aan het stuur, maar jij stuurt voor haar. De rook uit de schoorstenen is jouw goedheid. In Artis eet een jongetje met een lui oog een krentenbol.

Je bent afgelopen donderdag gecremeerd en nu moeten we zes weken op je as wachten. Dat wist ik niet. Er zit een zomervakantie tussen het grote vuur en het uitstrooien in. Ik hoop dat je geen haast hebt, want dit is de langste overstap ooit. Doe maar even een dutje op de bagageband.

Ik heb dus zes weken. Nee, eigenlijk heb ik nog maar vijf weken. Elke week zal ik een stukje van jouw standbeeld schrijven. Nog vijf stukjes dus, Dad. Een arm, een voet, de vlieg op je schouder, een gebalde vuist.

Welk stukje standbeeld dit is?

Dit is de krentenbol in je andere hand.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde. 



Donate € -


3 gedachtes over “Nog een stukje standbeeld.

  1. Zelden rouw zo indringend verwoord gezien. En gevoeld vooral. Ineens voel ik de steken weer die ik voelde toen mijn moeder in 1976 stierf. Ik was 16, toen. Ik wens je veel sterkte, James. Had je die ster al gezien, op 10 voor 2 vanaf de maan? 💫

Geef een reactie