De papapatser.

Mijn moeder en vader in het tuinhuisje van mijn oma.

Ik droom al twee weken dezelfde droom. Het is geen fijne droom, maar het is beter dan wakker liggen. Het is geen fijne droom, maar het is het enige moment van de dag waarop we samen zijn. In de nacht ben je bij me. Als het donker is en er niemand kijkt, kom je eventjes in de vadervormige leegte liggen. En in de ochtend ben je weer weg. Dan ga ik in de leegte liggen. Met donkere kringen onder mijn ogen. De leegte voelt nog warm aan.

In de ochtend breng ik je kleinzoon naar school. Hij doet het goed. Beter dan ik. Ik ben een wrak op de zeebodem. Diepzeeduikers kijken soms door de ronde raampjes bij me naar binnen. Ze zien roest en pizzadozen. Een stoel en een tafel. Ze zien een keukentje. In de openstaande broodtrommel woont een koningskrab.

Gisteren heb ik belastingaangifte gedaan. Ik krijg weer niets terug.

Op je sterfbed zei je twee dingen tegen me.

‘Je moet een keer naar Istanboel gaan, jongen.’ en ‘Let je een beetje op je moeder.’

Je was niet bang voor de dood. Je had je rozenkrans en je tevredenheid, maar je vond het wel moeilijk om mama alleen te laten. Je beschermde haar met je leven. Dat was het huwelijk voor jou. Op het moment dat ze die ring om je vinger schoof, veranderde je in een airbag en in een vangnet. Als mama viel, hielp jij haar overeind. Als mama ziek was, zette jij thee voor haar. Jij ving de klappen op. Je was haar lijfwacht. Ze hoefde nooit op jouw lijf te wachten.

Maar ik heb aan je beloofd dat ik een beetje op haar zou letten. En dat doe ik. Ik kijk met een verrekijker naar mama. Misschien heb ik daarom van die donkere kringen onder mijn ogen. Ze heeft een soort altaartje voor je gemaakt op de plank waar de cassettespeler vroeger op stond. Ze is zo sterk. Op het moment dat jij die ring om haar vinger schoof, veranderde ze in beton. Nee, in staal. Nee, nog sterker. Toen jij die ring om haar vinger schoof, veranderde ze in een moeder.

En lieve Dad, ik wil heel graag een keer Istanboel bezoeken, maar ik moet eerst nog wat belasting betalen.

Vanavond ga ik jouw kip kerrie proberen te maken. Ik heb er helemaal geen trek in, maar ik wil koken wat jij altijd kookte. Kip kerrie was jouw specialiteit. Je was een wonderlijke kok. Je gooide stukken appel en rozijnen in de saus. Je probeerde een appeltaart van kip kerrie te maken.

Wat ik voel is een soort liefdesverdriet, maar dan verdrietiger. Een geliefde zou je kunnen vervangen. Je duikt gewoon een ander bed in en maakt jezelf wijs dat je gelukkiger bent. Je zegt dat je hebt geleerd van je vorige relatie, maar maakt dezelfde fouten.

Jij bent verre van inwisselbaar. Ik kan mijn zoon niet naar een andere opa brengen. Er is geen andere man die drie uur lang met hem naar Brandweerman Sam filmpjes op YouTube kan kijken. Er is geen man die naar hem kan kijken zoals jij naar hem keek. Jij en ik namen hem een keer mee naar de speeltuin in het Vondelpark. Hij viel van de schommel en kwam verkeerd terecht. Huilend rende hij op jou af. Niet op mij. Hij vroeg of je naar de blauwe plek op zijn been wilde kijken. Alleen kijken, meer hoefde je niet te doen. Je keek naar zijn pijn en niet veel later was de pijn weg. Zo was jij. Ogen als een gipsvlucht.

Heel soms denk ik niet aan je en op die momenten voel ik me schuldig dat ik even niet aan je dacht. Het is pas drie weken geleden. Ik moet aan je denken. Het moet. Je bent mijn vader. Je bent geen regenplas waar ik in één keer overheen kan stappen. Je bent een fucking oceaan. Ik heb minimaal zes maanden nodig om naar jouw overkant te spartelen.

Ik denk vaak terug aan de boekpresentatie van mijn tweede boek. Jij kreeg het eerste exemplaar. Ik bedankte je en toen maakte ik een stom grapje. Op die avond vond ik het een leuk grapje, maar vandaag niet meer. Ik zei dat je er in mijn jeugd nooit was. De zaal lachte. Maar je was er juist altijd. Je bent er altijd geweest. Zelfs nu je er niet meer bent, ben je er nog.

Gisteren stond ik op ons dakterras. Ik zag een oude asbak staan. Er lagen drie uitgedrukte sigaretten in. Sigaretten van jouw merk. De laatste keer dat je bij ons thuis was, is zo’n tien maanden geleden. Ik heb een aansteker gepakt en ik heb alle drie die uitgedrukte sigaretten aangestoken en opgerookt. Bij elkaar waren het tien trekjes.

Je was niet bang voor de dood en ik hoop dat je dit nog steeds niet bent.

Ik heb een vriend en die praat alleen maar over zijn dure auto. Hij heeft een vriend die alleen maar over zijn vader praat. Ik ben die vriend. Hij is een patser, maar wat ben ik?  

In de eerste twee weken vond ik het fijn om met mensen te praten, maar ik merk dat ik de mensen er niet meer lastig mee wil vallen. De zon schijnt, niemand zit te wachten op de verhalen van de man met de dode vader.

Ik mis je stem. ‘Je moeder en ik hebben dit weekend een mooi film gezien.’

Een mooi film.

‘Welke film dan?’

‘Het ging over een spion.’

‘Ging het alleen maar over een spion? Wie speelde erin?’

‘Die ene jongen.’

‘Welke jongen?’

‘Hij speelde ook een keer in die film over die groene man.’

‘De Hulk? Bedoel je Edward Norton?’

‘Wie is Edward Norton?’

‘Van 25th Hour. Met die eindscène dat die vader zijn zoon naar de gevangenis brengt. We moesten allebei huilen om die scène.’

‘Dat is hem inderdaad. Eric Corton.’

‘Nee, Edward Norton.’

Als ik vroeger over je schreef, belde je me weleens op dat de dingen die ik over je had geschreven niet klopte. Vandaag kan ik alles schrijven. Na de dood staat de waarheid schaakmat. Ik kan schrijven dat je de eerste manager van The Temptations was. Ik kan schrijven dat je de uitvinder van de hovercraft bent. Of dat je het winnende doelpunt in de WK-finale van 1966 scoorde.

Alles kan de waarheid zijn, omdat de waarheid me niet meer interesseert als het de waarheid is dat jij er niet meer bent.  

Vanochtend stuurde ik een sms’je naar je telefoon.

*Om 12.00 lunchen bij Broodje Bert?*

Maar je was er niet. Sinds je er niet meer bent, loop ik alleen maar blauwtjes.

Je weet toch dat als je knoflook eet die lucht uren kan blijven hangen? Ik heb het gevoel dat jij een teentje knoflook bent waar mijn hart al drie weken op aan het kauwen is. Je blijft heerlijk hangen. Zolang mijn hart maar klopt, ruik ik jou. En als mijn hart doorslikt, voer ik het gewoon een nieuw teentje. Ik denk dat dat rouwen is. Je hart knoflook blijven voeren.

Ik mis je en het spijt me dat je me nooit naar de gevangenis hebt moeten rijden.

Als ik je urn heb, rijden we samen naar Istanboel.

Mijn vader, mijn zoon en ik in het Vondelpark.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde. 



Donate € -


2 gedachtes over “De papapatser.

  1. Weer een prachtig stuk! Koester de prachtige herinneringen lieverd. Verdriet slijt, geef het de tijd! Knuf van je kleuterjuf. 💋

Geef een reactie