Een gemaskerd feest

Een van de fijnste dingen aan ouder worden, vind ik dat de zelfoverschatting langzaam plaatsmaakt voor dankbaarheid. Op de cover van mijn debuut staat mijn naam meer dan tien keer afgedrukt. Ook staat er op de kaft dat ik de beste ben. Het gekke is dat ik in die tijd echt geloofde dat ik de beste was. Soms mis ik die tijd, ik, gevallen voor de hoogmoed, maar vaker nog sta ik stil bij de mensen bij wie ik al jaren op de schouders sta.

Muzikanten, acteurs, ouders, vrienden, rappers, echt heel veel rappers. Ja, ik ben aan veel dingen schatplichtig, maar wat schatplichtigheid betreft, draagt hiphop voor mij de kroon. Al sinds 1994 geeft hiphop mij een duwtje in de rug als ik wind tegen heb.

Het begon allemaal met de plaat 6 Feet Deep van Gravediggaz. Het begon allemaal met Wu-Tang. Ik kocht de plaat op aanraden van vriend DJ Mickster in de Virgin Megastore in de kelder van Magna Plaza.

In de tram naar de orthodontist toe hoorde ik voor het eerst de overzeese grimmigheid die mijn leven zou veranderen. Mijn discman was een kattenluikje naar een andere wereld. Een wereld vol klappende beats. Als mattenkloppers van aluminium klopten ze het stof uit mijn oren. En al die verhalen. Al die prachtige verhalen van vertellers naar wie nooit geluisterd werd. Als stotteraar kon ik de honger in hun stemmen horen. De honger om te vertellen. De hunkering naar een luisterend oor. Gewoon, een aantal onbevooroordeelde schelpen.

Als tiener dompelde ik mezelf onder in de hiphop. Ik luisterde alles wat ik moest luisteren, want ook dat is hiphop. Je moet studeren. Als je een boom water wilt geven, moet je weten waar de wortels liggen. En je moet ook weten waarom die wortels daar liggen. Waarom ze zo gegroeid zijn. Ik zocht naar de wortels en bleef nog een tijdje onder de grond. Op dat moment werd ik verliefd op underground hiphop. Op de obscuurste verhalenvertellers. Company Flow, Blahzay Blahzay, Arsonists, Planet Asia, Masta Ace, Cage, Dilated Peoples, Rasco, Krumbsnatcha, Lone Catalysts, J-Live, Paula Perry, Pacewon, Funkdoobiest en MF DOOM.

MF DOOM. Ik krijg een lach op mijn gezicht als ik zijn naam schrijf. Zelfs nu. Zelfs nu ik weet dat hij er niet meer is. Maar laten we eerlijk zijn, in feite is hij er nooit echt geweest.

DOOM was, nee, is één van de grootste redenen waarom ik met taal werk. Hij is de man met een stem die nooit hetzelfde klinkt. Het ene nummer klinkt zijn stem alsof je een beschimmelde perzik raspt. Zacht en vloeiend, met nerdy vergelijkingen die uit je speakers komen gedropen. Op het andere klinkt zijn stem als een brand in een antiekzaak. Rokerig melancholisch. Met zinnen die overvol zitten. In boekrecensies heeft men het weleens over dat de desbetreffende schrijver geen woord te veel heeft gebruikt. MF DOOM gebruikt nooit een woord te weinig. Twaalf kinderen. Twee stapelbedden. Dat hoor ik als ik naar zijn teksten luister. Twaalf kinderen in twee stapelbedden. En er is nog nooit een kind uit bed gevallen.

In 2010 zag ik hem optreden in Paradiso. Eigenlijk wilde ik mijn kaartje in honderden stukjes scheuren. Gewoon, omdat je je helden nooit moet willen zien. Helden blijken bijna altijd gewoon mensen te zijn. DOOM bleek inderdaad een mens te zijn, dus dronk ik snel een zombie van mezelf. Ik heb geen herinneringen meer aan die avond. Bijna geen herinneringen, want ik leerde die avond een meisje kennen. Zij was dol op MF DOOM en ik was dol op MF DOOM. Gedurende onze relatie stuurden we constant brieven naar elkaar op. In DOOM-stijl natuurlijk. Het leek nergens op.

‘Ik wil je beminnen tussen lakens van linnen, met kwijl op onze kinnen, buitengewoon vanbinnen en vanbinnenstebuiten, een huiskamer vol beslagen autoruiten, rits me dicht en sluit me buiten.’

Op de avond dat ze me dumpte, schreef ik het volgende op een bierviltje en stopte het in haar fietstas. Ik weet ook niet waarom ze een fietstas had, maar in 2010 hadden meisjes nog gewoon fietstassen.

‘Je dumpte me in een portiek. New York fashion week, ik moet je laten lopen. Kussengevecht, waarom moest je me slopen? Ik heb twee waterpistolen vol gehuild. En toch schiet ik tekort. Mijn fucking hart bloedt een fles goedkope port. Gelukkig dragen mijn ingewanden een schort.’

Ik hoop dat ze dat bierviltje nooit heeft gevonden. MF DOOM laat mij al zeker twintig jaar anders naar taal kijken. Ik noem het doemdenken. Een paar maanden geleden overleed Jan des Bouvrie. Ik las het in de krant en vond het best verdrietig. Er stond een mooie foto bij het artikel, maar na een tijdje kon ik alleen maar naar zijn naam kijken. Jan des Bouvrie. Wat zou MF DOOM daar op laten rijmen? Ik wist het antwoord bijna meteen. Kamperfoelie.

En zo gaat het bijna elke dag. Ik lees of zie iets en dan probeer ik het te MF DOOM’en. Vanochtend zag ik een Tesla dubbel geparkeerd in de straat staan.  

Tesla. Stop een vork in de mesla.

Rij door de McDrive en bestel zes vla.

MF DOOM is een auteur. Een producer. Een alleskunner. Een meesterverteller. Zijn kunst is nagenoeg ongrijpbaar. Zijn zinnen zitten soms zo erg in de knoop dat ze niet meer in de knoop zitten. In feite zou hij dit jaar alle literaire prijzen moeten winnen, maar dat gaat niet gebeuren. En dat maakt niet uit. DOOM deed het nooit voor de roem. Vandaar dat masker. Dat prachtige masker. Ik heb een tijd gedacht dat hij zich verstopte voor dingen. Hij verloor zijn broer, hun platencontract en zijn eigen zoon. Hij leefde lange tijd op het randje van dakloos. Maar dat masker veranderde alles. Het gaf hem een tweede leven, en een derde en een vierde.

Ik heb veel van zijn masker geleerd. Bijvoorbeeld dat je pas jezelf kunt zijn als je jezelf niet meer hoeft te zijn.

Toen ik het nieuws vorige week hoorde, schrok mijn vrouw van mijn reactie. Ik zakte door mijn knieën en zei dertig keer nee tegen mijn telefoon. Ze ging naast me zitten en keek op het scherm.

‘In het begin van mijn carrière vroegen journalisten geregeld aan me of ik literaire voorbeelden had. Vaak noemde ik gewoon maar wat namen op. Namen van schrijvers die ik nooit had gelezen. Ik deed interessant en vergat mijn wortels. Zette een masker op. Ik had gewoon MF DOOM moeten zeggen.’

‘Wat maakte hem zo goed dan?’ vroeg mijn vrouw.

‘Heb je vroeger weleens bij iemand afgekeken op school?’

‘Natuurlijk.’

‘Laat me je iets over DOOM vertellen. Hij is de jongen bij wie je afkijkt. Zelfs als je eerder dan hem klaar bent en zeker weet dat je nul fouten hebt gemaakt, kijk je bij hem af. Begrijp je? DOOM leert je dingen die de leraar nog niet heeft geleerd. MF DOOM weet dingen.’

‘Wat voor dingen?’

‘Twaalf kinderen. Twee stapelbedden. Slaap zacht.’

2 gedachtes over “Een gemaskerd feest

Geef een reactie