Blote armen in de winter.

De laatste keer dat ik door de stad van mijn vader liep, was een half jaar geleden. Het was een wandeling van de nachtclub naar het vliegveld. Een wandeling van 11 kilometer. Ik liep door de stad die hij ooit verliet om te gaan varen. Mijn vader wilde de wereld zien. Ik was weer eens in Liverpool om zijn wereld te zien. De scholen, de kroegen, de goten en de bushaltes.

Elke school die ik passeerde, was zijn oude school en elk voetbalveldje was zijn voetbalveldje. De straten lagen bezaaid met herinneringen die ik ter plekke verzon. Ik had namelijk zo veel gedronken dat alles vroeger kon zijn.

De avond begon in een jazzclub. Voor de deur stond een uitsmijter met een machtige deukneus. Ik bestelde een cider aan de bar en keek wat rond. Ik wist niet waar ik was, maar ik was precies waar ik moest zijn. De lampjes van de gokkast knipperden in morsecode. “Welkom thuis,” seinden ze.

Een vrouw met borsten zo groot als reservewielen kwam naast me zitten. Ze rook naar het rolluik van een parfumerie. Ze rook zoet, maar ook naar avontuur.

“Kom je hier vandaan?” vroeg ze.

“Ik niet, maar mijn vader wel. Hij komt echt uit deze stad, ik kom alleen maar uit hem.”

“Woont hij hier nog steeds?”

“Nee.”

“Waarom is hij weggegaan?”

“Omdat ik geboren moest worden.”

Mijn vader verliet Liverpool om naar geluk te zoeken, maar hij vond iets veel groters. Mijn moeder vond hem in een kroeg op de Martelaarsgracht.

Aankomende week kan Liverpool voor het eerst in dertig jaar kampioen worden. Of ze worden zondag kampioen of ze worden volgende week woensdag kampioen. Zondag is het Vaderdag en op woensdag word ik veertig.

Ik hoop dat Liverpool op Vaderdag de titel pakt. Dat zou voor mij het allermooiste verjaardagscadeautje ooit zijn. Ik gun het mijn vader. En niet omdat hij ongeneselijk ziek is, nee, ik gun het hem omdat hij zijn geboortestad verliet, zodat mijn zus en ik een geboortestad konden hebben.

Ik weet nog dat hij me voor het eerst meenam naar een wedstrijd van Liverpool. En ik weet nog dat ik schrok van hoe hard hij kon zingen. Ik was nog klein. Ik schaamde me voor hem. Ik was bang voor al die mensen in dat stadion. Ze leken wel bezeten. Een groot gedeelte van de eerste helft had ik een sjaal voor mijn ogen. Ik was maar een jongetje uit Oud-Zuid. Dit was niet mijn wereld. Dit was de wereld van mijn vader. Hij wist waar deze hartstochtelijkheid vandaan kwam. Ik kende nog geen hartstocht. Ik zat op gitaarles en had een stapelbed. Soms sliep ik beneden en soms sliep ik boven.

Vandaag ben ik bang om een andere reden. Ik ben bang, omdat ik weet dat ik nooit meer met mijn vader in een voetbalstadion zal zitten. Hij zal nooit weten hoe hard ik tegenwoordig kan zingen. Hoe zijn wereld mijn wereld is geworden. Hoe ik in twee happen een lauwe stadionhamburger naar binnen kan werken. Of dat ik inmiddels door zijn stad loop, zoals hij vijftig jaar geleden door de stad liep. Met de kin omhoog en met blote armen in de winter. En met de bravoure van de meest talentvolle Beatle.

De laatste keer dat ik door Liverpool liep, werd ik aangesproken door een jongen met een gigantische hoofdwond. De wond was zo groot dat ik erin kon kijken. Ik keek in de wond en kon zijn dood zien ademhalen. De jongen vroeg om een sigaret. Ik gaf hem een sigaret en vroeg of hij hulp nodig had.

“Hulp waarmee? Ik heb alles al,” zei hij, terwijl hij naar een tatoeage in zijn nek wees.

“Ik ben voor Liverpool. Ik heb alles al, vriend.”

Deze week gaat de club van mijn vader voor het eerst in dertig jaar kampioen worden. En later dit jaar zal mijn vader voor het eerst nooit meer wakker worden. Dan zal hij voor altijd boven slapen en ik nog zo lang mogelijk beneden.

Al zal hij natuurlijk nooit helemaal verdwijnen. De belangrijke dingen spoelen niet weg. Onze liefde is veel te groot voor het afvoerputje.

En de volgende keer dat ik op Anfield zit, zal ik de hele wedstrijd een sjaal voor mijn ogen houden.

“Waarom heb je een sjaal voor je ogen?” zal een man vragen. Hoekig hoofd, hagelwitte gympen.

“Omdat ik niet wil zien dat mijn vader niet naast me zit.”

“Maar hij zit gewoon naast je.”

“Hoe bedoel je?”

“Liverpool-fans kunnen niet sterven. Onze harten stoppen niet.”

“Onze harten stoppen niet?”

“Nooit! Wij hebben de pacemakers van Gerry.”

Aankomende week gaat Liverpool voor het eerst in dertig jaar kampioen worden. Het zal wennen zijn. Of misschien ook niet. De laatste keer dat ze kampioen werden, was ik negen jaar oud.

De laatste keer dat ik kampioen werd, was gisteren. Toen mijn vader naar me keek.

Beste lezer. Hieronder zou je een bedrag aan mij kunnen doneren. Voor deze column en voor de honderden columns die nog komen gaan. Bedankt voor je vertrouwen. Niets dan liefde.

Donate € -

De zachtpatser.

Mijn zoon ligt op bed. Ik lig naast hem. Zijn rechtervoet raakt mijn linkervoet aan en zijn hoofd rust op mijn schouder. Vroeger deed dit geen pijn. Vroeger was zijn hoofd vederlicht. Er zat niets zwaars in. Alles was nog slagroom en confetti.

“Is opa al beter?” vraagt hij.

Vanochtend waren we op bezoek bij opa. Toen we binnenkwamen, stapte hij uit de douche. Hand in hand keken we naar mijn naakte vader. Een trotse man. Een halfgod, gehalveerd door de meest goddeloze ziekte.

“Je ziet er goed uit, opa,” zei mijn zoon. Hij meende het. Ik knuffelde mijn vader, zodat ik niet al te lang naar hem hoefde te kijken. Zijn huid voelde zacht aan en rook naar het soort douchegel dat je normaliter alleen in voetbalkleedkamers ruikt.

Het hoofd van mijn zoon wordt steeds zwaarder. Dat is wat ouder worden is. Een kinderhand is misschien gauw gevuld, maar het hoofd vult zich na het behalen van een bepaalde leeftijd nog veel sneller.

“Opa doet zijn stinkende best,” zeg ik.

“Maar gaat hij beter worden?”

“Ik hoop het, maar ik weet het niet.”

“Maar hij is mijn beste vriend.”

“Ook die van mij, lieverd.”

Ik pak een kinderboek van het nachtkastje en blader naar hoofdstuk zes. Dat is zijn favoriete hoofdstuk.

“Nee, ik heb vandaag geen zin in De fantastische meneer Vos. Ik wil een verhaal over opa. Net als gisteren,” zegt hij.

Ik sluit mijn ogen en begin te vertellen. Alles wat ik vertel is waar of onwaar, maar niets is gelogen. En terwijl ik vertel, denk ik aan een paar dagen geleden.

Een paar dagen geleden lag ik naast mijn vader op de bank. Mijn linkervoet raakte zijn rechtervoet aan. Het was al donker buiten. We keken naar oude golfwedstrijden op de televisie. Mijn vader was moe, maar hij wilde niet slapen. Hij was bang om zijn ogen dicht te doen. Met de ogen open was hij nog gewoon de directeur van zijn lichaam, maar op het moment dat hij ze dichtdeed, was hij niets meer dan de conciërge. De kanker was nog niet uitgezaaid naar zijn ogen, maar wel naar zijn dromen. Dus keken we naar oude golfwedstrijden. Mannen in nette broeken sloegen gaten in onze nacht. En toen viel hij toch in slaap. Maar niet heel diep. Dus vertelde ik hem verhalen over zijn kleinzoon. Alles wat ik hem vertelde was waar.

“Gaat opa naar de hemel?” vraagt mijn zoon.

“Weet je wat de hemel is dan?”

“Niet helemaal. Ik weet dat het hoog in de lucht is,” zegt hij.

“Je kent Superman, toch? Nou, er is altijd een moment dat hij zich om moet kleden. Op dat moment ziet niemand hem, maar hij is er. Ik denk dat dat de hemel is. Gewoon een omkleedmoment. De hemel is een telefooncel in de wolken. Een plek waar we ongezien onze cape kunnen omdoen.”

Hij neemt genoegen met mijn uitleg en drukt zijn lippen tegen mijn wang aan. Daarna gaat hij met zijn gezicht boven mijn gezicht hangen. Een volle maan met krullend haar. Dan laat hij zijn hoofd op mijn schouder vallen en dommelt weg.

Als hij diep genoeg slaapt, ga ik met mijn gezicht boven zijn gezicht hangen. Een zachtpatser met een baard.

Ik blaas zachtjes in zijn neusgaten.

Er vliegt confetti uit zijn oren.

Knuffelzucht.

Annie heeft zich nog nooit zo eenzaam gevoeld. Soms gaat ze naar de supermarkt, maar niemand komt bij haar in de buurt. Het is alsof ze haar mandje met allerhande besmettelijke ziektes heeft gevuld. In de kranten zeggen ze dat anderhalve meter afstand houden genoeg is, maar de mensen verdubbelen die afstand als ze haar over straat zien lopen. Ze is oud. Tweeëntachtig. Ze is kwetsbaar. Als Annie corona krijgt, is het einde verhaal. Dat zegt haar buurman ook steeds tegen haar.

“Blijf toch binnen, Annie. Ik doe wel boodschappen voor je. Als jij die ziekte krijgt, is het einde verhaal.”

“Wat maakt dat uit? Dit is al maanden mijn verhaal niet meer,” zegt ze dan.

Mensen zeggen weleens dat eenzaamheid een mens kan opvreten, maar de eenzaamheid die ze nu voelt is alleen maar aan het kauwen. Het slikt niet door. Het gunt haar geen verlossing. Het blijft kauwen. De tanden en kiezen maken haar steeds kleiner en als de kaken eventjes stilstaan, sluit ze haar ogen en droomt ze over de slokdarm.

Vanochtend schreef ze met een viltstift ‘KNUFFEL MIJ’ op de voorkant van haar mondkapje, maar niemand heeft haar nog geknuffeld. Misschien had ze groter moeten schrijven. Dikkere letters.

Ze loopt over de Palmgracht. De plek waar ze is geboren. De plek waar ze woont. De Palmgracht is haar thuis. Ze woont er al zo lang dat haar hart in een kokosnoot is veranderd.

Er hangen twee makelaarsborden in de straat. Een paar weken geleden belde ze die makelaars op. Het ene huis staat voor 700.000 euro te koop. De ander voor 800.000.

Annie is al maanden voor een nieuwe koelkast aan het sparen.

Ze haalt twee tartaartjes bij Slagerij Louman. Eigenlijk heeft ze aan eentje genoeg. Dat tweede tartaartje gaat ze naar alle waarschijnlijkheid weggooien, maar dat maakt haar niet uit.

“Krijg je bezoek?” vraagt de slager.

“Misschien,” zegt Annie.

Ze loopt door de Driehoekstraat. Ook hier staat een huis te koop. 845.000 k.k. De Driehoekstraat is nooit haar favoriete straat geweest, maar sinds ze zo eenzaam is, begint ze de straat te haten. De hoeken van een driehoek zijn nooit alleen.

Op de Brouwersgracht ziet ze een bekende. Iemand van vroeger. De zoon van een vriend van haar vader. In het verleden was hij een boef, maar dat hoorde bij de Jordaan. Dat was de Jordaan. Boeven en bakstenen. En bezorgde moeders. Opeens was iemand gewoon een paar jaar weg. Niemand had geld om op vakantie te gaan, en toch was er best vaak iemand op vakantie. Er was altijd wel een oom of neef op berenjacht in Canada of zo. En een paar jaar later was hij terug. Dan stond hij weer op de hoek van de straat. Niemand stelde vragen. Ome Joop stond gewoon weer op de hoek van de straat de huid van de beer te verkopen voordat deze überhaupt geschoten was.

“Heb je een knuffel nodig, Annie?” vraagt de bekende van haar, en van de politie.

“Heel graag.”

“Maar is dat niet strafbaar?”

“Ik zit al in de gevangenis, schat.”